Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— !) —
noemen wij hel eenvoudig waarnemen; maar moei er voor-
al' de' eene of andere inrigting of eenige toeslel gemaakl
worden, zoo spreken wij van eene proef doen. Wij verkrij-
gen dus onze kennis van de eigenschappen en de veran-
deringen der ligchamen door waarnemen en proeven doen.
VI.
Krachten.
Wanneer wij heigeen er om ons heen voorvalt oplettend
nagaan , komen wij gedurig tot de vraag: waaróm gebeurt
dat? waaróm heeft dat ligchaam die eigenschap? Elke uil-
werking toch heeft eene oorzaak; de verschijnselen der na-
tuur moeten dus ook oorzaken hebben. Het is ^aan die
oorzaken, dat men den naam van krachten gegeven heeft.
Daar wij nu in 't vervolg meermalen van krachten zullen
spreken, is het noodig, dat wij daarover vooraf in het alge-
meen be[)aalde denkbeelden vaststellen. De oorzaak van een
verschijnsel is niet met de zinnen waar te nemen, alleen het
verschijnsel zelf; al wat wij van de oorzaak kunnen zeggen,
moet dus afgeleid worden uit hetgeen de verschijnselen ons
leeren.
Wanneer wij met de hand een' zwaren steen van den
grond opligten, worden wij gewaar, dat daartoe eene in-
spanning van ons ligchaam noodig is; wij zeggen dan, dat
wij kracht noodig hebben om den steen op te liglen.
Wanneer wij een' bal ver weg werpen willen, is daartoe ins-
gelijks kracht noodig, even zoo om een' kruiwagen voort
te duwen, om een ligchaam in den vijzel fijn te stampen
en dergelijke meer. Hetgeen wij bij ons zeiven gevoelen,
nemen wij ook waar bij anderen, en niet alleen bij men-
schen maar ook bij dieren. Wanneer wij den boer den grond
zien omspitten, wanneer wij den timmerman zien schaven,
den steenhouwer een' steen zien doorzagen, zeggen wij ,
dat zij kracht aanwenden. Wij zeggen, dat een paard krach t
noodig heeft om een' geladen wagen voort te trekken;
dat een vogel kracht noodig heeft om te vliegen. Bij het
gebruik van het woord kracht in al die gevallen is het
duidelijk, dal wij daigene kracht noemen, wat de oorzaak