Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 2G8 —
doordringbaar te zijn. Ten gevolge van deze eigenschap kan
het regenwater, dat door de bovenste zandlaag in den grond
zinkt, niet verder doorzakken dan tot op de leemlaag, en
langs de oppervlakte van deze heenvloeijende, aan de hel-
ling van den heuvel bij a als eene bron te voorschijn
komen. In zulk een' heuvel kan men ook, boven op de
hoogte een' put borende, welwater aantreffen, zoodra men
de leemlaag bereikt heeft. Boort men daarentegen een'
pul op een punt b, dat beneden de leembank gelegen
is, en waar het water in den grond diep weg kan zinken,
dan zal men ook zeer diep moeten graven eer men wel-
water vindt. Een voorbeeld hiervan treft men aan op de
hoogten bij Beek en Ubbergen, waar men op geringe diepte
eene leembank aantreft, die eenige ellen dik is, en daarbo-
ven en onder zand. Men heeft aldaar boven op den berg
water gevonden, door maar tot eene geringe diepte te gra-
ven, terwijl men op veel lager, maar beneden de leem-
laag liggende punten, eerst op twintig en meer ellen water
verkreeg.
Als de gansche heuvel uil zand bestaat, zinkt hel regen-
water er geheel en al doorheen tot op die dieple, waar ook
in het omliggende lage land het water in den grond wordt
aangetroffen-, daar zal men dan den put des te dieper moe-
ten graven, naar male hel punt waar men graaft, hooger ge-
legen is. Zoo heeft men in een fort in de naliijheid van
Nijmegen, dal 60 el hooger ligt dan de rivier, ook ruim
GO ellen diep moeien graven om welwater te vinden; op de
helling van zoodanige hoogle ontspringen mede nooit bron-
nen. Het is voor't overige voor het ontstaan daarvan juist
niel noodig, dal er eene leemlaag aanwezig zij, want iedere
andere laag, mits maar het water er niet doorheen kunne
dringen, moet hetzelfde verschijnsel voortbrengen.
Welke grondsoorten men op grootere diepten aantreft is
minder bekend, omdat men zelden dieper dan eenige wei-
nige ellen graaft. Enkele reizen heeft men dieper geboord,
in de hoop van goed drinkbaar water te vinden, dat men
op mindere diepte niet aantrof. Zoo is men reeds in 1605
te Amsterdam 73 el diep gegaan; in later jaren heeft men
le Jmsterdam lot 172 ellen, le Gorinchem tot 182 ellen,