Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 2G7 —
graven van het kanaal naar Scheveningen; men vindt al-
daar: (1) zand, (2) zwarten grond, (3) zand, (4) zwarten
grond, (5) zand, (G) zwarten grond,.(7) zand en (8) veen-, 7
is tweemaal zoo dik als G tot 2 te zamen.
Het valt hier aanstonds in 't oog, dat, terwijl het op-
pervlak van den duingrond afwisselend hoog en laag is, de
lagen, die onder het duinzand zich vertoonen, waterpas en
doorgaans van gelijke dikte zijn-, dat er dus geen verhand
hestaat tusschen de zandheuvelen en de gronden waarop
ze rusten-, de aardlaag G moet eenmaal de oppervlakte van
den grond hebben uitgemaakt-, daarna moet die onder de
laag zand 5 bedolven geraakt zijn-, op deze moeten weder
planten gegroeid zijn, die de laag 4 hebben gevormd,
welke verandering zich nogmaals herhaald heeft in 3 en 2,
en eerst daarna moeten de duinboogten er overheen ont-
staan zijn; dit stemt ook overeen met hetgeen de geschie-
denis ons leert, dat namelijk het zand der duinendoorden
wind sedert eeuwen landwaarts is verstoven, en zoo doende
gronden, die vroeger begroeid waren, of zelfs bebouwd wer-
den, overdekt heeft.
Met de gesteldheid der duinheuvels is die van de meeste
zandhoogten, in de verder van zee verwijderde streken.
Utrecht, Gelderland en Overijssel \i\]\., gebleken niet over-
een te stemmen. Als men daar in den grond graaft, vindt
men van boven af doorgaande zand; de onder- en boven-
grond maken daar een gelijksoortig geheel uit. Uitzonde-
ringen op dezen regel komen nogtans voor in de heuvels
nabij Arnhem en Nijmegen, wier doorsnede zich vertoont
zoo als in Fig. 92. Van boven, onmiddellijk onder den
begroeiden grond, vindt
men aldaar zand(1), op
eene zekere diepte eene
laag leem (2), die dwars
door den geheelen heuvel
heengaat, en daaronder
weder zand (3). De aanwezigheid van die leemlaag ver-
dient onze aandacht; niet alleen omdat daarvan een nuttig
gebruik gemaakt wordt in steenbakkerijen, maar ook we-
gens de eigenschap, die het leem heeft van voor water on-