Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
^ «OB —
Graaft men op punten, die uren van elkander verwijderd
liggen, dan vindt men dikwijls de eigen lagen, en in de
eigene orde; de dikte van eene en dezelfde laag blijft echter
op afstanden niet onafgebroken even groot. Eenige voor-
beelden zullen een en ander duidelijk maken.
Fig. 8!) stelt ons eene doorsnede van het grootst ge-
deelte van het eiland Schokland voor, tot op omstreeks
Fig. 89. 9 meters diepte. Op den
=:i bovengrond (1) volgt (2)
eene laag klei, daarop(3)
veen, waaronder zich (4)
zand bevindt, op de wijze
waarop dit in de figuur aangeduid is.
Een ander leerzaam voorbeeld geeft ons Fig. 90, voor-
stellende eene doorsnede in de nabijheid der rivier de Lek,
Fig. 90. bij Vreeswijk, en dwars op de
rigting der rivier genomen:
rt stelt de rivier voor, Zi den dijk,
1 het land buitendijks, 2 het
^ land binnendijks, welk laatste
_____1 .3 ellen lager gelegen is dan
® het eerste. Zoowel binnen als
buitendijks treft men klei aan onder de begroeide laag,
maar deze (c) is buitendijks 1 .3 hooger dan binnendijks,
en tegelijk 1 .3 dikker, zoodat het ondervlak aan weerszijde
juist op gelijke diepte wordt aangetroffen; daaronder vindt
men eene doorgaande veenlaag {d), en vervolgens weder
zandgrond (e).
Hetgeen wij hier zien, dat het land buitendijks hooger is
dan binnendijks, wordt bijkans overal langs onze rivieren
waargenomen; en wij kunnen hieruit leeren, hoe sommige
lagen langzamerhand ontstaan zijn. Deze ophooging toch
wordt veroorzaakt door de rivieren zelve, die de in haren
stroom zwevende stoffen, steentjes, zand en kleideelen me-
devoeren en laten bezinken, daar waar de snelheid van het
rivierwater minder wordt. Zoo dikwerf de rivier bij hoo-
gen waterstand de uiterwaarden overstroomt, bezinken dus
daarop stoffen, die het land ophoogen; in ons voorbeeld
is op die wijze het bovendeel der kleilaag gevormd, ter