Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— -
komen elders ook de overige metalen Lijna zelden anders
dan met vreemde sloffen verbonden in den grond voor,
dus niet als zuiver metaal, maar ais ertsen, en moeten ze
door eene soortgelijke behandeling tot den metaalloestand
herleid worden.
IV.
Ligging der Grondboortcn.
Aarde, veen, klei en zand, de hoofdbestanddeelen van
onzen grond, worden daarin, gelijk wij zagen, bijna nooit
geheel zuiver, maar meestal meer of min met elkander ge-
mengd, aangetroffen; desniettemin bestaat de grond meestal
uit lagen, die gemakkelijk van elkander te onderscheiden
zijn, en in elke waarvan eene dier grondsoorten telkens
het hoofdbestanddeel uitmaakt.
Dikwijls biedt zich de gelegenheid aan om zich hiervan
le overtuigen. Bijv. als ergens een heuvel afgezand wordt,
als er slooten door het land gegraven, of pulten gedolven of
geboord worden; zoo ook als er opgravingen geschieden,
om de grondslagen van een gebouw te leggen, of daar-
voor de grondpalen le heijen; verder bij het graven van
trekvaarten, of hel aanleggen van wegen. Het is dus eene
bekende zaak bij boeren, putlegravers, en allen die veel
buiten zijn, en maar willen lellen op hetgeen daar te zien
valt. Die lagen zijn op 't oog zeer kenbaar door hare
verschillende kleur; ze gaan somtijds onmerkbaar in elk-
ander over, meestal echter zijn ze door scherpe lijnen van
elkander afgescheiden. De teel-aarde wordt, ten zij ze ont-
breken mögt, altijd als bovenste laag gevonden, daarónder
eene afwisseling van lagen veen, klei en zand; de orde,
waarin deze, van boven naar beneden gaande, elkander op-
volgen, is zóó verschillend op verschillende plaatsen, dat
wij daarvan in 't algemeen niets kunnen zeggen; alleen
heeft men daar, waar men diep ingegraven heeft, overal
als onderste laag zand gevonden. Ook het aantal der la-
gen verschilt; maar elke laag, de dunste niet uitgezonderd,
breidt zich dikwerf vele uren ver uit; de dikte bedraagt
somtijds maar eenige duimen j dan weer een aantal ellen.