Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
ga
— 1 —
blijkt aan Je deeltjes verroest ijzer, die men vindt, als
men dat vuurslaan verrigt boven een vel papier. Kiezel-
aarde verandert niet, wanneer men er azijn op giet, en
evenmin smelt ze, als ze in 't vuur komt. Van de zuivere
kiezelaarde moeten vele andere soorten van steenen, die
men ook den naam van keijen geeft, wèl ondersclieiden
worden, daar zij niet dezelfde eigenschappen bezitten. Eene
dier eigenschappen bijv. is, dat het minder moeite kost
om ze door te breken; één slag doet ze barsten of in kleine
stukjes uit elkander springen. Bij de steensoorten, waarbij
dit plaats heeft, kon men op 't oog deelen van verscliil-
lenden aard onderscheiden, die in den steen naast elkander
liggen en aan elkander vastzitten. ' Daartoe behoort die
groen-witte steen, waarvan wij zoo even spraken en die
den naam van groensteen draagt; verder eene andere steen-
soort, die uit drie soorten van deelen bestaat, uit zulke na-
melijk, die eene regelmatige vierkante gedaante hebben, en
dikwerf vleeschkleurig zijn, voorts uit zeer sterk glim-
mende plaatjes, die soms zilver- of goudkleurig zijn, en
daarom weieens ten onregte voor goud of zilver houdend
zijn aangezien, eindelijk uit kleine stukjes witte kei-aarde.
Deze steensoort is zeer moeijelijk glad te slijpen, want bij
het afslijpen van de uitstekende deelen, springen er de be-
standdeelen uit, en maken nieuwe oneffenheden. Vandaar,
dat die steen, als er wegen van aangelegd zijn, door het
berijden niet glad wordt, men noemt hem graniet; tot die
soort behooren vele der grootste keisteenen in ons Vader-
land, onder andere die, welke de zoogenaamde Hunnebed-
den in Drenthe uitmaken, waarvan wij zoo straks reeds
met een woord gewaagden.
In andere steenen ziet men, wanneer men ze doorslaat,
eene menigte kleine, langwerpige gaatjes, van onregelma-
tigen vorm, die zich veelal als korte barsten voordoen; ook
zijn er dikwerf kleine ijzerdeelrjes in te onderscheiden, die
aan het buitenste van den steen verroest zijn, en als kleine
vlekken zich vertoonen; of wel, die ijzerdeelen zijn van het
uitwendige geheel verdwenen, en hebben ook kleine ope-
ningen achtergelaten, die aan de gedaante zeer wel van de
barstjes te onderscheiden zijn; soms toch zijn zij zeer re-