Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 2C0 —
scherpe kanten en punten, zoo als men die ziet aan stee-
nen, die versch doorgebroken zijn, vindt men er bijna nooit
aan; het puntige is afgerond, welke afronding veroorzaakt
wordt, wanneer steenen lang heen en weder gerold wor-
den. Ze hebben daarin veel overeenkomst met die klei-
nere steenen, welke uit de rivieren opgehaald worden, en
door de schuring van het water zoo zijn afgerond.
Het uitwendige van steenen, die lang aan lucht en
water blootgesteld geweest zijn, is meestal graauw, en le-
vert weinig kenmerkends op. Maakt men ze echter schoon,
door afschuren, dan ziet men reeds, dat de steenen van
zeer onderscheiden' aard zijn. Wij kunnen dit al waar-
nemen aan de groote steenen, die den rijweg van de straten
in vele steden en dorpen uitmaken, en die, door het be-
rijden vrij glad geworden, zoo lang ze droog zijn, er alle
graauw uitzien, maar als het er op geregend heeft, te on-
derscheiden zijn in witte, blaauwe, donkerroode, lichtroode
en groene; op deze laatste vertoonen zich eene menigte
witte vlekjes, dikwerf van regelmatige gedaante, die doen
zien dat de sleen uit meerderlei soort van stof bestaat.
Nog duidelijker vertoont zich het verschil, als wij van
de steenen een stuk afslaan, ten einde eene geheel versche
breuk le verkrijgen, die nog niel aangedaan is door de
werking van lucht of water, en waar zich nog geene aarde
of stof op gezet heeft. Van binnen vertoont de steen dan
dikwijls veel helderder en fraaijer kleuren dan van buiten,
lerwijl wederom de breuk ook in andere opzigten bij on-
derscheidene steenen zeer verschillend is. Sommige steenen
zijn zeer moeijelijk te breken,omdat de deelen met eene groote
kracht aan elkander hangen, deze zijn dus zeer hard; daartoe
behoort de zoogenaamde kei- of kiezelaarde, die meestal
wit van kleur is, dikwerf doorschijnend, en die eene breuk
vertoont, veel gelijkende op die van glas. Met staal gesla-
gen, heeft zij de eigenschap van vuur te geven, daarin over-
eenkomende met de vuursleenen, die men op geweren ge-
bruikt; dit loch zijn niet anders dan stukken donkerkleurige
kiezelaarde. Bij dat vuurslaan worden kleine ijzerdeeltjes
van den vuurslag afgeslagen, die door de sterke wrijving
zoo heet worden, dat ze gloeijen en verbranden, zoo als