Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 250 —
zinken zich scheiden in lagen, waarvan de eene veel min-
der kleur heeft dan de andere. Wat aan zulk eene^ ver-
menging nog meer waarschijnlijkheid bijzet, is, dat, als wij
het zand in den grond zeiven bezien, wij de zwarte kleur
dan juist aan dat zand vinden, 't welk digt bij de aarde of het
veen ligt-, de bruine daarentegen in de nabijheid van ijzer-
erts, enz. Het scherpe zand is het minst met andere stoffen
gemengd, het zachte meer, en de deelen van dit laatste kleven
dikwerf eenigermate aaneen door de werking dier inge-
mengde stoffen; men vindt alsdan bonken, die echter zeer ge-
makkelijk fijngemaakt kunnen worden. Zandgrond heeft
de eigenschap, dat het water er gemakkelijk doorheen zakt,
en dat de bovenste laag, wanneer ze door de zon verwarmd
wordt, het daarin bevatte water gemakkelijk laat verdam-
pen. Vandaar, dat een hooge zandgrond onvruchtbaar is,
daar de bodem geen vocht genoeg blijft bevatten, dat de
planten tot zich kunnen trekken, 't geen een noodzakelijk
vereischte voor haren wasdom is.
II.
Keisteenen.
Van het zand zelf moeten wij onderscheiden de klei-
nere en grootere steenen, die daarin gevonden worden, en
die wij gewoon zijn keijen te noemen. In sommige stre-
ken ontbreken die geheel, zoo als in de duinen aan de
zeekust, waarin men niet dan stukjes van zeeschelpen
vindt; elders zijn ze daarentegen in groote menigte aan-
wezig, zoo als in het zand van de heiden van Utrecht,
Gelderland, Overijssel, Drenthe en Groningen. Die steenen,
naauwkeurig bezien, leveren veel verschil en veel merk-
waardigs op, zoo als ze ook, naar mate van hunnen ver-
schillenden aard, voor verschillende oogmerken dienstig
zijn. Uitwendig reeds zijn ze zeer onderscheiden in grootte,
zoowel als in vorm en kleur. Van een' duim af vindt men
steenen van alle grootten; in Drenthe liggen er een aantal,
waaronder een, niet ver van het dorp Noord-Laren, die
33 voet in den omvang heeft.
De vorm der steenen kenmerkt zich door het afgeronde;
17*