Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 250 —
vindt men dikwerf boomslainmen liggen, waarvan LlijkJiaar
de stompen met hunne wortels nog reglop in den grond
bevestigd slaan. Die boomen moeten dus op de plaats
zelve, waar men hunne overblijfselen vindt, gegroeid zijn;
het zijn eiken, esschen, elzen, berken, wilgen en dennen-,
ook heeft men er nog overblijfselen van de vruchten dier boo-
men, als eikels, knoppen van dennenzaad, enz. in gevonden.
Een ander veelvuldig voorkomend bestanddeel van den
grond noemen wij klei. Deze beslaat uit zeer fijne dee-
len, die aan elkander kleven en daardoor zamenliangende
kluiten vormen. Als klei met waler gemengd wordt, ver-
eenigt ze zich daarmede zoodanig, dat klei en waler le za-
men een deeg worden, 't welk men kan kneden en waar-
aan men dus iedere verlangde gedaante kan geven. Door
dit deeg aan de zonnehitle bloot te stellen, droogt het uit
en wordt dan hard, waarbij het scheuren verkrijgt, die
maken dat de kluit zich in brokken verdeelt. Met over-
vloedig water overgoten, valt de klei uiteen tot een fijn
poeder-, brengt men ze vervolgens in beweging, en laat
men ze bezinken, zoo bevindt men dat de gewoonlijk voor-
komende klei een mengsel is van eigenlijke klei met aard-
deelen, en vooral met eene grooter of kleiner hoeveel-
heid zand. Is de klei bijna zuiver, dan geeft ze bij aan-
raking een dergelijk gevoel als vet, en men noemt ze dan
"vette, beter zware klei, want eigenlijk vet of olie bevat ze
niet. Is ze met eene grooter hoeveelheid zand gemengd,
dan heet men ze magere of ligte klei, Is er zoo weinig
zand onder, dat ze nog goed aaneenkleeft, en geen water
doorlaat, dan heet ze leem. De aanwezigheid eindelijk
van nog meer zand geeft er den naam aan van zavel-
grond. Hoe meer zand er in is, des te minder hangen tle
deelen aan elkander, des le eer kan er waler doorheen
dringen, en des te gemakkelijker kan ze door den ploeg
of de spade bewerkt worden. De kleur van klei is ver-
schillend-, de zuiverste klei is bijna wit, maar meestal is
zij niet zuiver en heeft dan een graauw, dikwerf een
blaauw of groenachtig, somtijds een bruin of roodachtig
voorkomen, al naar gelang de bijgemengde sloffen ver-
schillend gekleurd zijn. Aan eene groote hitte blootgesteld,