Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
IV.
Veiandeiiiigen der Ligchamen. Verscliijnselen.
Wanneer wij dezelfde ligchamen herhaaldelijk bezien
en onderzoeken , vinden wij er niet altijd dezelfde eigen-
schappen aan, bijv.: ijs wordt water, water gaat over in
stoom. Wij zeggen dan, dat het ligchaam veranderingen
heeft ondergaan. Vele zulke veranderingen worden voort-
gebragt door kunstbewerkingen : het hout wordt door scha-
ven , zagen en slijpen glad , door verwarmen droog, door
verwen gekleurd, door polijsten glanzig. De ruwe steen
verkrijgt door zagen en beitelen de gedaante van een stoep,
of een paal , of een kolom. Maar vele andere verande-
ringen worden niet door menschenhanden bewerkstelligd,
en deze noemt men natuurverschijnselen. De klei wordt,
als zij vocht opneemt, week en kneedbaar; als de zon
schijnt, droogt zij weder uit, wordt hard en barst.
In andere gevallen zien wij het ligchaam niet van aard
of oppervlakte veranderen, maar, terwijl gedaante ea kleur
dezelfde blijven, zien wij het van plaats verwisselen: de
wolken bijv. drijven door de lucht, zon en maan komen
dagelijks op en gaan weêr onder, de vogel vliegt. Ook
die beweging, van der menschen wil onafhankelijk, behoort
tot de natuurverschijnselen.
Sommige natuurverschijnselen zien wij dikwijls plaats
grijpen; andere alleen onder bijzondere omstandigheden,
zoo als bijv. het ontstaan van een' regenboog, waartoe een
vochtige toestand des dampkrings en een schijnen der zon
van achter den waarnemer vereischt wordt. Het opmer-
ken van zulke veranderingen maakt ons dikwijls nader
bekend met de eigenschappen der ligchamen, die ze on-
dergaan.
De benaming verscldjnselen, waarmede men al die veran-
deringen en bewegingen te gader bestempelt, is zeer gepast.
De kennis toch door de zinnen ons aangebragt, betreft ei-
genlijk alleen de wijze hoe de ligchamen ons ioeschijnen, hoe
zij zich aan ons voordoen. Want men moet wel in 't oog