Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 6 —
De eerste noemt men kunstgewrochten , de laatste natuur-
ligchamen. Een boom en een dier zijn natuurligcbamen,
rotsen en bergen insgelijks. De bouten tafel, die uit den
boomstam is vervaardigd, het linnen, dat uit de vlas-
plant is bereid, de marmeren plaat en de ijzeren kagchel
zijn voortbrengselen van kunst. Kunstgewrochten worden
vervaardigd uit stoffen, welke de natuur oplevert. Die bereide
sloffen hebben, ook nadat zij bewerkt zijn, ten deele nog
de eigenschappen van de ligchamen, die lot hunne berei-
ding gebruikt zijn geworden: het linnen heeft de vastheid
en buigzaamheid van den stengel der vlasplant, het leder
de taaiheid van de ossenhuid. Om de kunstvoortbrengsels
te leeren kennen , is het dus noodig, eerst met de eigen-
schappen der natuurligchamen bekend te zijn. Om linnen,
leér, enz. te leeren kennen, is het noodig eerst een denk-
beeld van de vlasplant, van de ossenhuid te hebben. De
kennis van de eigenschappen der natuurligchamen is der-
halve noodig, om die der kunstgewrochten te kunnen ver-
werven. Zij moet dus voorafgaan, en is de belangrijkste,
omdat wij die eigenschappen overal weder vinden: zij zijn
het waartoe wij ons thans zullen bepalen.
Onder natuur verstaan wij al die ligchamen te zamen,
welke niet door de kunst zijn veranderd geworden.
De natuurligchamen kunnen worden verdeeld: in die
welke in de aarde gevonden worden, met andere woorden,
die waaruit de aarde zelve bestaat, delfstoffen genaamd;
wij kennen die als zand, klei, hardsteen, krijt, metaal-
ertsen , steenkolen, enz.: in die welke op en boven de
oppervlakte der aarde voorkomen-, daartoe behooren voor-
eerst de zoogenaamde vloeistoffen water en lucht, ten
tweede de levende wezens, die de oppervlakte der aar-
de bewonen, en die wij wederom in planten en dieren
onderscheiden: eindelijk in die welke ver van de aarde
verwijderd zijn, zoo als de maan en de zon, gewoonlijk
hemelligchamen geheeten. Wij zullen de algemeene eigen-
schappen van elke dier groote afdeelingen der natuurligcha-
men later opzettelijk overwegen, en nagaan welk denkbeeld
men aan eiken dier namen moet hechten.