Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
_ OÖO _
volkomen drooge stof, waarin de aanwezigheid van water
volstrekt niet te bespeuren is. Het neemt veel meer ruimte
in dan de gebrande kalk deed. Wij noemen bet dan ge-
bluschten kalk, en hij wordt in dien toestand gebruikt om er
mede te metselen. Wat voorstelling wij ons maken moeten
van hetgeen er bij het blusschen van den kalk gebeurt,
wordt duidelijk, zoodra wij de weegschaal te hulp nemen.
Wegen wij eerst den gebranden kalk, later den daaruit ont-
stanen gebluschten kalk, dan vinden wij, dat de laatste
bijna t zwaarder is-, het is dus eene verbinding van kalk en
water. Doet men er meer water bij, dan heeft er geene
verdere warmte-ontwikkeling plaats-, het is dan geene ver-
eeniging meer, maar eene menging, en 't wordt dan een
brij die geschikt is om er mede te metselen. Dit meerdere
water kan er door zachte verwarming weder uit verjaagd
Avorden, 't geen niet het geval is met die eerste hoeveel-
heid welke de gebrande kalk in gebluschten kalk heeft
veranderd.
Giet men azijn op kalksteen, dan heeft er, gelijk op
bl. 175 reeds vermeld is geworden, eene ontwikkeling van
koolzure lucht plaats, maar de kalksteen verdwijnt daarbij,
gedeeltelijk althans, langzamerhand in het vocht. Heeft
men te voren den azijn en den kalksteen ieder afzonderlijk
gewogen, en weegt men nu, nadat alle luchtontwikke-
ling heeft opgehouden, kalksteen en azijn te zamen, dan
vindt men eene vermindering in gewigt; deze wordt blijk-
baar veroorzaakt door het uitdrijven der koolzure lucht.
Dampen wij voorts het vocht uit, dan houden wij een vast
ligchaam over; het vocht is dus eene oplossing geweest,
even als water, waar zout in gedaan is, en waarin dat zout
onzigtbaar wordt. Weegt men nu ook de vaste deelen, die
na de uitdamping overblijven, dan zou men verwachten,
dat die minder wogen dan de kalksteen, omdat het kool-
zuur uit den kalksteen is weggegaan, en dus alleen de kalk
is overgebleven, maar men vindt in tegendeel een gewigt
dat nog grooler is dan dat van den gebruikten steen en
somtijds zelfs de helft zwaarder. De kalk moet zich dus,
na zijne scheiding van het koolzuur, weder met eene andere
slof verbonden hebben. Er hebben derhalve bij deze onze