Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— —
Men lieeft met die omstandigheid niet wel weten over-
een te brengen, waarom men de voorwerpen niet omge-
keerd, maar regt ziet. De zwarigheid verdwijnt echter,
als men de zaak onbevooroordeeld nagaat, 't Is onge-
twijfeld een omgekeerd beeld, dat op het netvlies ont-
staat, en als onze ziel dat beeld van achter het oog kon
en moest aanschouwen, dan zou het voorwerp zich wer-
kelijk het onderst boven vertoonen. Maar daartoe zou
de ziel met een tweede oog toegerust moeten zijn, dat zich
achter het eerste bevond, en al mögt dan nu het beeld
van nieuws omgekeerd, en dus weêr regt geworden zijn,
tian zou er evenzeer behoefte aan een derde oog achter het
tweede zijn, en zoo voorts. Zulk eene inrigting, waaraan geen
einde zou wezen, kan men zich dus niet eens voorstellen;
't verwondert ons derhalve volstrekt niet, dat men bij het
ontleedkundig onderzoek niet het minste spoor van zoo iets
vindt. Wij moeten wèl bedenken, dat zien, even als hooren,
ruiken, smaken, tasten, niet anders dan een voelen is, met
naar het bepaalde doel gewijzigde zenuwen. De gezigtze-
nuw heeft dit met de zenuwen van den tastzin gemeen, dat
zij ons de gedaante der ligchamen doet kennen; dat zij ons
doet oordeelen over de rigtingen waarin eenig voorwerp, of
't een of ander deel van een voorwerp, zich ten onzen opzigte
bevindt. Als wij het vlak der regterhand op eene tafel leg-
gen, en een' daarop liggenden knikker tusschen den wijs-
en derden vinger klemmen, dan ondervinden deze een te-
genstand van den geklemden knikker, die op den linker-
kant van den derden en op den reglerkant van den wijs-
vinger gerigt is, en 't is aan die tegenstanden dat wij het
ligchaam erkennen. Maar als wij eerst den derden vinger
«ver den wijsvinger heen brengen, zoodat hunne toppen
van plaats verwisseld zijn, en vervolgens den knikker tus-
■schen beiden invatten, dan oefent deze zijn' tegenstand op
de regterzijde van den derden en op de linkerzijde van den
wijsvinger uit, zoodat men op 't gevoel zou zeggen, dat men
i»iet een maar twee ligchamen aanraakte. Men leere hieruit,
dat men aan de voorwerpen onwillekeurig die rigting toe-
schrijlï, waarin het zintuig op den ontvangen' indruk te-
rugwerkt. liven zoo is het nu ook met onze gezigtswaar-