Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 213 —
eene soort van schot of afscheiding tusschen de voorste en
achterste hohe van het oog. De voorste liohe of kamer
bevat een waterachtig vocht. De achterste kamer is geheel
opgevuld met het glasachtig i^ocht G, eene lillige zelf-
standigheid, die het midden houdt tusschen glas en water,
waarvan de naam afkomstig is, en Ae kristallijnen lensLS^
die van eene vastere en hardere natuur is. De gekleurde
regenbooghuid, die zich vlak vóór de kristallijnen lens be-
vindt, heeft in het midden eene opening ac, die zich
donker voordoet, en daarom het zwart van het oog, ook
weieens, ofschoon zeer oneigenaardig, de oogappel ge-
noemd wordt. Door deze opening, die door werking van
spieren voor eenige vernaauwing en verwijding vatbaar is,
worden de lichtstralen, na door het hoornvlies in het
waterachtige vocht gedrongen te zijn, lot in de kristal-
lijnen lens toegelaten, waaruit zij vervolgens in hel glas-
achtig vocht of ligchaam overgaan, en eindelijk het net-
vlies aandoen.
Uit het vroeger verhandelde kan men opmaken, dat het
licht in al die stoffen, waaruit het oog bestaat, venclailend
gebroken zal worden, 't Is hoogst moeijelijk, bij zulk eene
zamengesleldheid van het daarenboven zeer bewegelijk zin-
tuig, den juisten weg le bepalen dien het licht daarin volgt.
Maar zooveel is zeker, dat er ergens binnen in liet glas-
acluig vocht een punt O is, waardoor alle lichtstralen die
in het oog vallen, nagenoeg heengaan. Denkt men zich
nu, in stede van al die vochten, ter plaatse van genoemd
punt eene enkele verzamelende glazen lens van zulk een
voornaam brandpunt, dat de stralen door elk lichtgevend
punt van eenig voorwerp daarop afgezonden, zich aan den
anderen kant vereenigen op den afstand waar het netvlies
aanwezig is, dan zou zich op dat netvlies een omgekeerd
beeld moeten vormen van het voorwerp, en dat is nu juist
het geval met het wezenlijk oog. Want als men met ont-
leedkundige zorgvuldigheid een kalfsoog bijv. van achteren
van zijne 'harde en aderhuid ontdoet, zoodat het netvlies
ongeschonden voor den dag komt, dan ziet men daarop
een omgekeerd beeld geteekend, van eexi kaarsje bijv., dat
aan de andere zijde vóór zulk een oog gehouden wordt.