Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 222 — ^
gel SP aanschouwt. De lichtstralen die
van de spits A op den spiegel vallen,
zullen na terugkaatsing zich van elk-
ander verwijderen, alsof zij van een
punt a afkwamen, dat zich even ver
achter den spiegel bevindt. Het oog
ziet de spits derhalve daar. De kuif van
den pijl vertoont zich om dezelfde reden
in b, en met de tusschenliggende punten is het op soortge-
lijke wijze gesteld. Het geziene beeld ab van den pijl achter
den spiegel is alzoo blijkbaar geen werkelijk, maar een
schijnbaar beeld. Immers de spiegel is ondoorschijnend, en
geen licht kan er doorheen dringen, om aan den achter-
kant een beeld te vormen, dat men op een scherm zou kun-
nen opvangen, en vóór den spiegel zou men dit mede
vruchteloos beproeven, want aan deze zijde worden de licht-
stralen door de terugkaatsing verstrooid. Wijders heeft men
de figuur maar aan te zien, om zich te overtuigen dat een
vlakke spiegel niet Vergrooten of verkleinen kan.
Een bolle spiegel daarentegen vertoont de voorwerpen
altijd kleiner, dat een noodzakelijk gevolg is van de meer-
dere verstrooijing die de terugkaatsing daarop het licht doet
ondergaan. SP in Fig. GG stelle een' bollen spiegel voor,
dien wij, om der meerdere eenvoudig-
heid wil, onderstellen dat een gedeelte
is van't oppervlak van een' volkomen'
bol, die zijn middelpunt in M heeft.
Vallen nu evenwijdige lichtstralen, het
zonnelicht bijv., regt op zulk een' spie-
gel, dan worden zij in dier voege teruggekaatst, dat zij
schijnen te komen van een punt F, dat ter helft van MC
gelegen is-, dat punt heet nu weder het voornaam denk-
beeldig brandpunt. Is voorts eene lichtende stip niet zóó
ver verwijderd, dat men de afgezonden stralen als even-
wijdig mag beschouwen, dan verkrijgt men een toegevoegd
denkbeeldig brandpunt, dat nader bij de spiegelende op-
pervlakte gelegen is, op de lijn die het lichtend punt met
het middelpunt M van den bol verbindt.
IMen zal zich nu voldoende rekenschap kunnen geven