Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 201 — ^
het voornaam brandpunt F,
dan kan men haar beeld vml
aan de keerzijde op een scherm
opvangen, 't Zal ons niet ver-
wonderen, dat het een omge-
keerd beeld is. Want vlak achter de lens vormt zich het brand-
punt m, dat behoort bij het middelpunt M der vlam, 't geen
er vlak voor staat; maar lager, in c, verzamelt zich het ge-
broken licht, dat afkomstig is van de spits V der vlam,
terwijl zich hooger, in l, de stralen vereenigen die van den
bodem L der vlam afkwamen. Wijders vertoont de figuur
het genoemde beeld kleiner dan de vlam zelve is, 't welk
daarmede zamenhangt, dat het beeld zich digter bij de
lens bevindt. Brengen wij de vlam nader bij, dan wijkt
het beeld, en zal alzoo grooter worden. Plaatsen wij de
vlam bij F, het voornaam brandpunt, dan is het beeld
plotseling geheel verdwenen, 't geen van zelf spreekt; de
lichtstralen van elk punt afkomstig, loopen na de breking
in evenwijdige rigtingen, en verzamelen zich niet meer in
een brandpunt. Dit zal des te minder gebeuren, als het
lichtend voorwerp nog digter bij de lens, tusschen F en C,
gehouden wordt; wij weten immers dat de lens dan ver-
strooijend werkt en dat de stralen schijnen af te komen van
denkbeeldige brandpunten, mei: het lichtend voorwerp aan
denzelfden kant der lens gelegen, en op verderen afstand,
zie Fig. Gl. Maar ofschoon lenzen die verstrooijen, geen
werkelijk beeld van eenig voorwerp geven, zoo kunnen wij
van de gebroken stralen in het oog onmiddellijk opvangen,
't geen wij doen als wij het voorwerp met zulk eene lens
bekijken. Wij zien dan de lichtende punten waar zij wer-
kelijk zijn niet, maar het licht dat ons oog indringt schijnt
van de toegevoegde denkbeeldige brandpunten af te komen,
zoodat het voorwerp zich öf vergroot óf verkleind en op
eene andere plaats vertoont.
Hetzelfde is het geval met de beelden die een vlakke
spiegel bij terugkaatsing geeft; de behandeling daarvan kan
dus hier ter verduidelijking strekken.
ftlen denke zich een' pijl AB bijv. (zie Fig. 65), dien
een waarnemer in O bij terugkaatsing in een' vlakken spie-