Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
__2 _
kunnen leeren kennen; het bestaan van deze blijkt ons door
onze andere zintuigen: door het gezigt, door het gehoor,
door den reuk. Wij zien den man, die op den weg of op
de straat ons voorbijgaat, wij zien den toren van het dorp,
de zon en de maan , en dat zien is ons genoeg, om ons
overtuigd te houden, dat het bestaande stoffelijke voorwerpen
zijn, met andere woorden: dat als wij er bij konden komen
en ze aanraken, onze hand een' tegenstand zou onder-
vinden. Ook het gezigt doet ons eigenschappen gewaar-
worden; wij zien, dat het eene ligchaam groot, het andere
klein is, het eene wit, het andere zwart, een derde rood of
groen gekleurd is; wij zien, dat de toren stilstaat, dat de
wolk drijft.
Zoo echter het gezigt alleen ons het bestaan en de eigen-
schappen der ligchamen moest doen kennen, zouden wij
ons ligt kunnen bedriegen. Iemand plaatse een ligchaam
vóór een' spiegel en ga er zelf ook vóór staan, en hij ziet
het ligchaam er achter. Het gevoel geeft hem de zekerheid,
dat het ligchaam er vóór is, en dus de overtuiging, dat zijne
oogen hem misleidden. Wel worden wij gewaar, dat een
beeld zich nooit achter den spiegel, of in het water vertoont,
of er is indedaad een voorwerp vóór den spiegel of bo-
ven het water; maar tevens ontdekken wij daarbij, dat het
voorwerp, hetwelk wij zien, zich niet altijd daar bevindt,
waar het zich aan onze oogen vertoont. Een kind, dat eene
afbeelding van een voorwerp of van een' persoon ziet,
meent dat voorwerp zelf te zien; eerst door nader zien of
doorvoelen komt het tot de overtuiging, dat niet het afge-
beelde voorwerp zelf daar is. Waar dus gevoel en gezigt
ons verschillende indrukken geven, is die van het gevoel
de ware;
Ook door het gehoor doen wij kennis op: wanneer wij
het gezang van een' vogel hooren, die in het gras of het
geboomte verscholen zit, geeft het geluid, dat wij hooren,
ons de zekerheid, dat er ergens een vogel is, al kunnen
wij hem zien noch voelen. Wanneer wij het slaan van
eene klok hooren, zijn wij zeker, dat er in de eene of
andere kamer, in den gang, of op den toren eene klok
aanwezig is. Wanneer wij hooren spreken , zijn wij zeker,