Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 199 — ^
stralen niet meer evenwijdig de lens uit. Staat de kaars
zeer ver af, dan verzamelt zich het licht aan den achter-
kant der lens Lijkans in 't voornaam Lrandpunt, maar na-
deren wij vervolgens met de kaars, dan wijkt het verza-
melingspunt, en wordt nu, ter onderscheiding van 't voor-
naam Lrandpunt, een toegevoegd of hijbehoorend Lrand-
punt geheeten, omdat het Lehoort Lij de Lepaalde plaats
der lichtLron. Beiden zijn elkanders toegevoegde Lrandpun-
ten; want als men de kaars achter de lens Lrengt, juist
daar waar zich zoo straks het licht verzamelde, dan ge-
schiedt dit nu, waar zoo even de kaars stond.
Brengt men de lichtLron (zie Fig. 60) op een' afstand
CO, die duLLel zoo groot is als de
voornameLrandpunts-afstand CF,
dan staat het Lij Lehoorend Lrand-
punt I even ver achter de lens
als de vlam der kaars er zich voor
Levindt, zoodat Cl gelijk CO is.
Komt het lichtgevend voorwerp nog al digter Lij, dan
wijkt het Lrandpunt meer en meer. Zoodra het in F ge-
steld wordt, dit weten wij reeds, verzamelt het licht zich niet
meer, maar wordt evenwijdig. Zet men nu de kaars tus-
schen de lens en haar voornaam Lrandpunt in, in O Lijv.
(Fig. 01), dan zal het zich niet alleen niet verzamelen,
na de lens te zijn doorgegaan, maar het
verspreidt zich, alsof het kwame van een
_ punt I, dat met de kaars aan eene zelfde
zijde der lens gelegen is. Zulk een plaats
is nu eigenlijk geen Lrandpunt meer,
maar zij heeft toch LlijkLaar daarmede eene groote over-
eenkomst. Vandaar, dat men het een denkbeeldig Lrand-
punt genoemd heeft.
Dergelijke denkLeeldige Lrandpunten heLLen ook de
'verstrooijende lenzen, ol'schoon zij dan al geen werkelijke
Lrandpunten Lezitten. En in dien zin spreekt men ook
van een voornaam Lrandpunt Lij verstrooijende lenzen.
Het is dat punt, van waar de evenwijdig invallende licht-
stralen, door de Lrekende werking der lens, schijnen te ko-
men, derhalve in I'^'lg. 02 het punt F, als SC de rigting der