Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 197 — ^
(Iriegelijksie zinsbegooclielingen. Ik vond ergens vermeld,
dat een tooneelspeler in een' langen zwarten mantel gehuld
optrad, waaronder hij een eveneens zwart pak strak gespan-
nen om de leden droeg, en hierop stond met witte verw
een geraamte geteekend. Toen hij nu plotseling zijn' mantel
uitsloeg, kon men van den omtrek zijns ligchaams niet het
minste onderkennen, en scheen het niet anders of men had
werkelijk een geraamte voor zich.
V.
Over Brandglazen en Lenzen in 't algemeen.
De eigenschap van glas om de lichtstralen te breken
vindt een zeer uitgestrekte en nuttige toepassing in lenzen.
Dat zijn bolvormig geslepen schijfjes glas, wier gedaante
eenige gelijkenis heeft met die der linzen, eene peulvrucht,
van waar de benaming dan ook afkomstig is. Zij worden
onderscheiden naar de geaardheid der twee oppervlakten,
of die vlak, bol of wel hol zij. Nevensstaande Fig. 57 ver-
toont in doorsnede, A eene dub-
bel bolle, B eene vlakke en
bolle, C, alsmede D, eene bolle
en holle, E eene vlakke en
holle, F eene dubbel holle
lens. Sommige daarvan brengen de lichtstralen die er door
heengaan, digter bij elkander, en heeten daarom verzame-
lende lenzen; het zijn juist die, welke aan den omtrek
dunner zijn dan in het midden, derhalve de lenzen A, B
en C. Andere daarentegen zijn verstrooijend; zij doen de
lichtstralen van elkaar afwijken; deze zijn, gelijk D, E en F,
dikker aan den rand dan in het midden. De eerste hoofd-
soort pleegt men ook wel brandglazen te heeten, omdat zij
het licht der zon als het loodregt er op invalt, zóó ver-
mogen te verzamelen, dat men er ligt brandbare ligcha-
men, als zwam, zwavel, enz. mede kan aansteken. Van
wege den grooten afstand waarop de zon van ons staat, mag
men de stralen, die een zelfde punt harer oppervlakte tot
ons zendt, als evenwijdig aanmerken. Zulke onderling even-
wijdige regt op een brandglas invallende lichtstralen, rigten