Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 190 —
op een wit papier, maar op een voorwerp dat zelf eene
gekleurde oppervlakte lieeft, onze hand of een gedeelte
onzer kleeding bijv., laten vallen, dan verliezen die voor-
werpen naar het schijnt hunne eigene kleur en nemen die
van het licht aan, dat er op valt. Dit is vooreerst eene
bevestiging van 't geen wij vroeger beweerden, dat men de
voorwerpen ziet bij het licht dat er op valt, en dat naar
ons oog teruggeworpen wordt. Ten andere verklaart het
eenigermate de kleuren der voorwerpen die bij wit licht
gezien worden. Als de boombladeren bijv., niettegenstaande
er geen groen, maar wit licht op valt, zich evenwel groen
voordoen, of met andere woorden, alleen groen licht terug-
kaatsen, dan leeren wij daaruit, dat hunne oppervlakte de
eigenschap heeft van de aanvullingskleuren van het groen
op te slorpen.
Houdt men een stuk blaauw glas voor het oog, dan ziet
men er alles blaauw door-, alle bijzondere kleuren die de
voorwerpen op zich zelve hebben mogten, worden als ver-
zwolgen in de kleur van het glas waar men doorheen ziet.
Het is derhalve blijkbaar, dat dit de eigenschap heeft van
alle licht behalve het blaauwe, hetzij op te slorpen of te-
rug te werpen, althans te beletten dat het er doorheen
dringe.
Zwart wordt ten onregte eene kleur genoemd. Eene vol-
komen zwarte oppervlakte zou alle licht opslorpen, niets
daarvan terugkaatsen, en derhalve in 't geheel niet zigtbaar
zijn. Het is dan ook inderdaad meer door het afsteken
van een zwart voorwerp tegen de aangrenzende lichtere
oppervlakten of tegen den lichteren grond waarop het met
betrekking tot ons oog geplaatst is, dat wij het — „zien"
mag men eigenlijk niet zeggen, maar — ontwaren.
De bewering luidt wel wat vreemd, dat iemand die vol-
komen in het zwart gekleed ware — dus in dof zwart,
want eene glanzende stof, gelijk satijn, kan streng genomen
niet volkomen zwart, dat alle terugkaatsing van licht uit-
sluit, genoemd worden — letterlijk onzigtbaar zou zijn, en
alleen waargenomen zou kunnen worden, doordien men een'
meer of minder lichten achtergrond wèl zag. En toch is
het zoo, en geeft dit niet zelden aanleiding tot de allerbe-