Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 11)5 —
ia het glazen prisma veroorzaakt wordt. In die onein-
digheid van kleuren trekken de zeven genoemde hoofd-
kleuren meer Lijzonder onze aandacht. De roode licht-
straal is het minst, de violette het meest gebroken gewor-
den, gelijk Fig. 5G voorstelt. Die gevolgtrekking vindt
hare bevestiging hierin, dat zoo wij de verschillend ge-
kleurde stralen, waarin het witte licht is ontleed gewor-
den, hereenigen, ze gezamenlijk weêr wit licht uitmaken.
Dit kan op velerlei wijze geschieden, maar het volledigst
door een tweede prisma van dezelfde soort van glas en
waarvan de hoek PQT dezelfde is, het onderste boven ach-
ter het eerste te plaatsen, waarop dus nu het gekleurde
licht invalt. Verhindert men sommige dier gekleurde licht-
stralen het tweede prisma in te gaan, door dit gedeeltelijk
met een ondoorschijnend lapje te bedekken, dan hereenigen
de overige zich niet tot wit licht, maar men verkrijgt eene
bepaalde tint. De eerst uitgesloten stralen geven op hunne
beurt even zoo eene andere tint, die de aanvullingskleur
der eerste geheeten wordt, omdat beiden vereenigd, even-
zeer weêr wit licht geven, als al de bijzondere kleuren,
waaruit zij bestaan, te zamen. Het ligt dus in de natuur
der zaak, dat twee zulke aanvullingstinten nevens elkander
ons een'aangenamen indruk geven, of wèl bij elkander voe-
gen, gelijk men zegt. Dat is bijv. het geval met rozerood
en licht groen, met geel en indigo. Rood en geel daarente-
gen schreeuwt gelijk men zegt, en wien zulk eene verbin-
ding niet hinderlijk is, dien ontbreekt het in dit opzigt aan
goeden smaak, of liever zijn oog is niet fijn gevoelig voor
het onderscheid in kleuren. Bestaat die vatbaarheid in
nog geringer mate, dan is men niet in staat, tinten die veel
overeenkomst hebben, blaauw en paars bijv., te onder-
kennen. Ja enkele menschen zijn er die geen kleuren hoe-
genaamd zien, wien alles slechts meer of min licht of don-
ker yoorkomt. Deze verkeeren in hetzelfde geval ten aan-
zien van het gezigt, als anderen, die geen hoogte of laagte
van toonen kunnen onderscheiden, met betrekking tot het
gehoor.
Als wij de verschillend gekleurde lichtstralen, die door
het glazen prisma de donkere kamer inkomen, juist niet
13*