Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 192 — ^
voorwerpen op den bodem kunnen onderkennen, dieper is
dan men meenen zou, daar die voorwerpen zich hooger
vertoonen dan zij inderdaad geplaatst zijn.
Wat hier nu van water gezegd is, geldt ook van glas,
van olie, en in 't algemeen van doorschijnende ligchamen •,
zelfs van lucht. De dampkring die onzen aardbol om-
geeft, strekt zich ongeveer GOOOO ellen uit en niet meer-,
het licht van zon, maan en sterren zal dan ook bij de
intrede in de dampkringslucht gebroken worden, en nog
wel hoe langer hoe meer, omdat hoe lager men komt, de
lucht al digter wordt. De laatst aangenomen rigting is
nu die, waarin wij het punt zien dat den lichtstraal af-
zond, maar waar het dus werkelijk zich niet bevindt-, het
is lager gelegen. Wij nemen alzoo de zon waar, vóórdat
zij nog boven de kimmen gerezen is, en nadat zij reeds
is ondergegaan. Daarom ook is de zon, als zij even boven
den gezigteinder zich vertoont, schijnbaar breeder dan zij
hoog is, omdat de onderrand zooveel schuiner stralen tot
ons afzendt dan de bovenrand, de eerste dus zooveel meer
gebroken worden dan de laatste, en de onderrand derhalve
schijnbaar meer geligt wordt dan de bovenrand.
Tot beter verstand van 't geen volgen moet, is 't nuttig,
dat men de juiste wet kenne, naar welke de breking van
het licht geschiedt. Als men (zie Fig. 53) ter plaatse B, waar
een lichtstraal de brekende middelstof
indringt, zich de loodlijn OP denkt, dan
verhoudt zich de afstand CP dien eenig
punt C, tot hetwelk de gebroken licht-
straal gevorderd mogt zijn, van gezegde
loodlijn heeft, altijd op dezelfde wijze tot
den afstand DQ van zulk een punt D, waartoe het licht ge-
raakt zou zijn als het niet van rigting veranderd ware, en een'
even langen weg in de middelstof afgelegd hadde. Voor ver-
schillende middelstoffen verschilt ook die verhouding. Voor
lucht en water is CP, welke schuinte het invallend licht
ook hebbe, standvastig | van DQ; voor lucht en glas be-
draagt de bedoelde verhouding, al naar gelang van de
soort van het glas, iets meer of minder dan |.
Die lichtstraal zal na breking nog het meest van de lood-