Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 189 — ^
zaamgepakt is; en in weerwil daarvan prijkt toch de zon
met een' eenparigen glans. Zij zou dus voor ons geen ander
voorkomen hebben, wat haar licht aangaat, indien zij wer-
kelijk, zoo als zij schijnt, eene schijf ware, die overal een
gelijk en even sterk licht van zich gaf als de bestaande
zonnebol doet. Denken wij ons nu zulk eene zonneschijf,
maar van de halve grootte of middellijn CD, zie Fig. 50,
Fig. 50. op de helft van den afstand waarop de zon AB
inderdaad zich van ons bevindt, dan zou hare
oppervlakte maar | bedragen van die der geheele
zonneschijf, en dus viermaal minder licht naar
ons afzenden. Dat licht zou zich echter daar-
entegen wegens den verminderden afstand ook
viermaal minder verspreiden, en derhalve daar-
aan weêr inwinnen wat er aan hoeveelheid te kort
schoot, terwijl die halve zonneschijf schijnbaar de
eigene grootte zou hebben van de zon zelve. Wij
kunnen op die wijze verder redeneren, en komen
dan tot het besluit, dat, bijaldien wij van de naar
ons toegekeerde middelste oppervlakte der zon een cirkel-
vormig vlakje konden nemen, van de grootte van een' apo-
thekers-ouwel , en dat vlakje plaatsen op een' afstand van
107 malen zijn middellijn, dat is 8| Ned. ellen, aangezien
de gemiddelde afstand van onze aarde tot de zon zooveel
malen de middellijn der zon bevat, dat vlakje zich aan
ons oog even groot en even glansrijk zou voordoen als
de zon zelve. Tevens blijkt het, dat al was de zon nog
veel verder van ons verwijderd dan zij is, dit tot haar
schitterend en glansrijk voorkomen niet zou afdoen; al-
leen zou zij schijnbaar kleiner worden.
Hier rijst als van zelve de bedenking op, of men dan de
vlam eener kaars, hoe ver ook van ons afgebragt, niet
evenzeer met onveranderden glans moest kunnen blijven
zien, ofschoon dan kleiner, en op 't laatst enkel als een
lichtend punt? En dat leert ons toch de ondervinding wel
anders; veel verder dan 35 minuten gaans kan zelfs het
beste gezigt zulk eene vlam niet meer ontwaren. De zwa-
righeid echter verdwijnt, als wij eene omstandigheid in
aanmerking nemen, die tot hier toe buiten rekening gelaten
/