Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— '188 —

op valt, willen wij een' stralenbundel noemen. Diezelfde
stralenbundel is instaat van wege de meerdere verspreiding
van zijn liclit, op een' dubbelen afstand een vierkant N te
beschijnen, dat viermaal zooveel oppervlakte heeft als het
eerstvermelde. Op een' viervoudigen afstand moet het vier-
kant S zestienmaal zooveel oppervlak hebben, zal het al
de stralen van den bundel opvangen. Maar daar het hier
altijd dezelfde hoeveelheid licht is, die de drie vlakjes be-
schijnt, worden wij tot de noodzakelijke gevolgtrekking ge-
leid, dat, zoo wij enkel op den afstand letten, de mate der
verlichting van N niet meer dan en die van S maar ^ be-
draagt van die van M. Dit is men gewoon kort aldus uit
le drukken: de verlichting is omgekeerd evenredig aan de
tweede maglen der afstanden. Naar dien regel zal dus een
voorwerp, dat op 3 of 7 ellen afstands van een lichtend
punt geplaatst is, 9 of 49 maal zwakker daardoor verlicht
worden dan of het er maar t'cn el afstond.
Als wij een op bepaalde wijze verlicht schijfje wit papier
vlak voor het oog plaatsen en aldus bezien, of als wij er van
ter zijde, altoos op denzelfden afstand, den blik op rigten,
dan merken wij in 't laatste geval geen' meerderen graad
van verlichting op, en toch, gelijk Fig. 49 er van getuigt,
Fig. 49. maakt de schuinsche rigting der stra-
len Aft' dat zij zich veel meer zamen-
pakken dan de loodregte stralen A a.
Wij leiden dan daaruit het gevolg af,
dat er zijdelings niet evenveel of zwak-
ker licht wordt afgeworpen, 't geen door
de meerdere digtheid juist weèr vergoed
wordt. Daaruit laat zich voorts verkla-
ren, waarom de zon, die wij toch wel
over hare gansche bolvormige oppervlakte even lichtgevend
moeten onderstellen, aan den omtrek zich niet oneindig
schitterender vertoont dan in het midden, dat vlak naar
ons toegekeerd is. Immers hare oppervlakte buigt zich uit
dat midden al meer en meer naar achteren, en verkrijgt
dus alle mogelijke standen met opzigt tot ons oog, die in
schuinte gedurig toenemen, zoodat het licht, naar mate
het verder uit hel midden ons toestraalt, al digter en digter