Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 186 —
dil liaijgt rialuurlijk af van de Lewolkllieid der luclit, die
dikwijls als 't ware eene gordijn vormt, welke de lichtstralen,
die ons anders zouden bereiken, bijna ganschelijk onder-
schept, en dan nog van de meerdere of mindere gevoelig-
heid der oogen, die bij dat licht trachten te zien. Sommige
dieren, bijv. ratten, muizen, uilen en meer, wier leven een
nachtelijk leven is, schijnen in dat opzigt nog fijner be-
werktuigd te zijn dan wij menschen. Maar ook bij men-
schen kan de gevoeligheid der oogen, door ontwenning aan
voldoend licht, zeer verhoogd worden. Lieden, die langen
tijd in donkere kerkers hebben opgesloten gezeten, kunnen
voorwerpen onderscheiden in een duister, waarbij men ge-
woonlijk, gelijk men zegt, geen hand voor oogen ziet. De-
zulken worden, even als de uilen en vledermuizen, zeer pijn-
lijk aangedaan, wanneer men hen daarna in een hel licht
brengt, en een oogenblikkelijk blind worden is daarvan niet
zelden het gevolg, indien zij zich door 't sluiten der oogleden
daarvoor niet vrijwaren.
IL
Schaduwen cn Lichtsterkte.
Duisternis is ons gebleken iets zeer betrekkelijks te zijn,
en evenmin als wij eene volstrekte koude of afzijn van alle
warmte kennen, kan er sprake zijn van eene volslagen duis-
ternis of afzijn van al zulke warmtestralen waarbij gezien
kan worden, en die men uit dien hoofde met den naam
van lichtstralen bestempelt. Eene verduistering, die op
eene verlichte oppervlakte te weeg gebragt wordt door een
ligchaam, dat van het licht, 't welk anders op die oppervlakte
vallen zou, een gedeelte onderschept, noemen wij de sc/ia-
daw van dat ligchaam. Men gevoelt alzoo, dat het weder
eene oneigenlijke wijze van spreken is, als men zegt, eene
schaduw te zien. Want kan men, streng genomen, het licht
ƒ ^ zelf niet eens zien, dan is zulks nog veel minder het geval
i met de duisternis. Maar men bedoelt daarmede de bescha-
' duwde plek van het oppervlak, waarop, gelijk men zich
^ uitdrukt, de schaduw valt, juister, waarop het licht dat
/t- onderschept wordt, niet valt. Dat minder verlichte vak
laat zich des le beter onderscheiden , naar male het oiu-