Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 18& —
weg die daarin het invallend licht aflegt, aan eene witte
streep merkbaar is-, doch die witte streep is de lichtstraal
zelf niet, 't is eene aaneenschakeling van zwevende stofjes,
die het licht dat ze beschijnt, naar alle kanten, en bij ge-
volg ook naar ons oog heen, terugkaatsen, en die stofjes
zijn 't die we zien. Dit verschijnsel maakt volstrekt geen
inbreuk op den regel, maar bevestigt hem veeleer, dat
lichtstralen bepaald naar ons oog heen gerigt moeten zijn,
om er ons de voorwerpen bij te doen zien.
Evenmin is daarmede het helderwitte of lichtblaauwe
voorkomen des uitspansels in strijd. De dampkring houdt,
vooral in ons vochtig klimaat, altijd eene menigte van
waterdeeltjes, die daarin als hangende zijn, nu eens in
een' fijn verdeelden, dan weder in een' meer zamenge-
pakten toestand, als wolken bijv., en daarop is het dat het
zonnelicht valt en teruggekaatst wordt. Die nevelen en
wolken zien wij door middel van dat ontleende licht, maar
het licht zelf eigenlijk niet. Vandaar dan ook, dat in
drooger landen, in Italië bijv., het uitspansel er veel don-
kerder uitziet dan ten onzent, omdat de dampkring er veel
minder vochtig is. Ja, indien er in de ruimte, die onzen aard-
bol omringt en hem van de overige hemelligchamen scheidt,
volstrekt geen stoffelijke voorwerpen aanwezig waren die
het licht vermogen terug te kaatsen, dan zouden wij zon,
maan en sterren op een volkomen zwarten grond aanschou-
wen ; dan zouden wij ook vóór het opkomen of na het on-
dergaan der zon geen schemering hebben, die alleen ont-
staat, doordien de zon, al is zij aan onzen blik onttrokken,
niet diep genoeg onder de kimmen zich bevindt, om niet
nog stralen op onzen dampkring te kunnen afzenden, die
tot ons teruggeworpen worden. In landen waar haar schijn-
bare loop veel minder of in 't geheel niet schuins gerigt
is, in onze Oost bijv., is haast geen schemering, aange-
zien de zon in korten tijd veel te diep onder de kimmen
zakt, om op gezegde wijze nog eene wijl genot van haar
licht te geven; de nachtelijke duisternis vervangt daar bijna
plotseling den dag.
In welke male men des nachts bij 't geleende licht van
maan of sterren, de voorwerpen nog vermag te onderscheiden,