Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 184 — ^
wij er Lij zonnescLijn liaast niets van zien, maar enkel eene
menigte zonnetjes waarnemen in de verscLillende rigtingen,
waarin de door die onderscheiden ligchamen teruggeworpen
zonnestralen ons oog invielen. Dat is nu echter geenszins
het geval, omdat de meeste, ja, op zeer weinige uitzonde-
ringen na, alle oppervlakten, die zich aan ons vertoonen,
eene menigte van ruwheden en oneffenheden lieLLen, zoodat
het licht dat daarop valt, als op ontelbare spiegeltjes in alle
mogelijke standen naar alle rigtingen teruggekaatst wordt,
en Lij gevolg ook alle punten van zulke oppervlakten, van
het licht waardoor zij Leschenen worden, stralen naar ons
oog terugwerpen (zie Fig. 46). Wij zien dan ook niet een
enkel zonneLeeldje •, maar al die Leeldjes
Ledekken als 't ware de geheele oppervlakte.
Van den Lijzonderen aard van iedere op-
pervlakte hangt ook de bijzondere wijze
af, waarop zij zich Lij verlichting voordoet,
en daaraan vermogen wij ze van elkander
te onderscheiden. Zoodra een oppervlak door polijsting eene
groote mate van effenheid heeft gekregen, doet het ons, even
als de spiegel, in eene bepaalde rigting de lichtbron aan-
schouwen. Maar dan vermindert ook zijne eigenschap om
het licht in alle rigtingen te verspreiden, en het oppervlak
zelf vertoont zich minder verlicht, gelijk wij zulks aan ge-
bruineerd zilver Lijv., en aan den spiegel zeiven vooral, ont-
dekken-, ja, een volkomen spiegelend oppervlak zouden wij
in 't geheel niet zien, en zijn voorhanden zijn op het ge-
zigt enkel daaraan kunnen ontdekken , dat het andere voor-
werpen voor onzen blik verbergt, die er zich namelijk
achter bevinden.
Uit het boven verhandelde volgt nog, dat het woord zien
dikwijls in een' min juisten zin gebezigd wordt, voor zoo-
ver men het toepast op het licht zelf.
Zien is waarnemen van stoffelijke voorwerpen door middel
der eigene of geborgde lichtstralen, die zij aan ons oog toe-
zenden. Maar de lichtstralen zelve zijn geen stoffelijke voor-
werpen-, de lichtstralen zelve kunnen dus op die wijze niet
waargenomen, dat is, zij kunnen niet gezien worden. Wel
hebben wij boven vermeld, dat in de donkere kamer de