Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 183 — ^
niel geluid, welks voorlplanliug, gelijk wij zagen, in eene
opvolgende trillende Leweging Lestaat. Maar de eclioos lee-
ren ons, dat de terugkaatsing van geluid ook plaats vindt
onder gelijke hoeken. Wij dienen er derhalve met het licht
de proef eens van te nemen, en zulk eene proef bevestigt
het inderdaad. Een stukje spiegelglas, 't geen wij, terwijl
wij er de stralen der zon op laten vallen, op onderscheiden
wijze in de hand wenden, is er alleen toe noodig, en wil-
len wij er ons nog naauwkeuriger van overtuigen, eene don-
kere kamer. Immers als eene kamer alle licht in dier voege
uitsluit, dat eene enkele kleine opening ergens in een Llind
alleen het zonnelicht inlaat, dan kunnen wij, door aan het
spiegeltje eene bepaalde willekeurige rigting, met opzigt tot
de daarop vallende lichtstralen, te geven, aan de lichte
plek op den wand nagaan, aan welke wet die terugkaatsing
gehoorzaamt, die wij dan juist zoo bevinden als gezegd en
in Fig. 45 voorgesteld is. Wenden wij het spiegeltje zoo,
Fig. 45. dat het licht naar de opening terugge-
worpen wordt, dan doet zich tevens een
bevreemdend verschijnsel op, te welen:
't is dan nagenoeg geheel duister in de
kamer, alleen de verlichte opening en de
wille streep, waaraan wij den weg des lichts
kunnen onderkennen, blijven nog zigt-
baar. Geven wij het spiegeltje weder een'
anderen stand en onderscheppen wij nu
de teruggeworpen stralen, door ons op hunnen weg te plaat-
sen , zoodat zij in ons oog vallen, in stede van op den wand,
dan zien wij ook in die rigting de verlichte opening der ka-
mer, welke wij anders bij terugkaatsing niet zouden waar-
nemen-, lerwijl wij den spiegel zeiven niet of naauwelijks
kunnen ontwaren, 't Is dus blijkbaar een vereischte, dat de
stralen, die door eenig lichtgevend voorwerp worden afge-
zonden, in ons oog vallen, zal dat voorwerp door ons ge-
zien worden, en is het bij terugkaatsing op een spiegelend
oppervlak, dan zien wij bijkans alléén het voorwerp, en
niel of ter naauwer noodden terugkaalsenden spiegel. Had-
den derhalve al de ons omringende voorwerpen eene even
zoo zuiver effene oppervlakte als onze spiegel, dan zouden