Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 182 —
afstraling eene eigenaardige gevoeligheid Lezit. Mogen wij
het daarvoor houden, dan zijn lichtstralen eenvoudig zulke
warmtestralen, die niet enkel den over ons gansche lig-
chaam verspreiden tastzin aandoen, maar nog daarenboven
het zintuig des gezigts, welks fijne en bewonderenswaardige
inrigting ons in staat stelt de indrukken, die het daarvan
ontvangt, zeer naauwkeurig van elkander te onderscheiden,
en alzoo de verschillende stoffelijke punten, welke die stra-
len afzenden, veel juister en vollediger waar te nemen, dan
waartoe eenig ander zintuig ons de gelegenheid aanbiedt.
Zulk waarnemen noemen wij zien; wij zien een'glimmenden
zwavelstok, eene gloeijende kool aan den haard, de vlam
van eene kaars, de zon, die voorname bron van licht. Dat
is met andere woorden, wij nemen de genoemde voorwerpen
waar, door middel van de werking der lichtstralen, jdie door
hunne gloeijende deelen aan onze oogen worden toegezonden.
Wij zien echter niet alleen zulke ligchamen, waarvan zich
licht ontwikkelt, maar eene menigte dingen meer, die in
't geheel niet gloeijen. Zouden die dan ook lichtstralen tot
ons zenden, en zoo ja, van waar hebben zij die? Zij ont-
kenen ze aan lichtgevende voorwerpen. Immers wij weten,
't meeste dat ons omringt, zouden wij niet zien, bijaldien
er geen licht van elders op viel, 't zij dan kunst- of zon-
nelicht. Doch dat is nog niet eens voldoende, de licht-
stralen die er op vallen, dienen door het ligchaam, dat er
door beschenen wordt, teruggekaatst te worden, en dat nog
wel in eene bepaalde rigting, zullen zij in ons oog geraken.
Dat is nu juist wat er gebeurt, en 't geen ons de voorwerpen
doet zien, gelijk uit een nader onderhoek volkomen zal
blijken. Hoe zouden wij ons zulk eene terugkaatsing wel
hebben voor te stellen? Laten wij een' lederen of gom-elas-
tieken bal op een' veêrkrachtigen en waterpassen vloer neer-
vallen, dan springt hij regtop terug; werpen wij hem daar-
entegen schuins, dan springt hij ook schuins weer op, en
verwijdert zich vlak aan den anderen kant der loodlijn on-
der'een' hoek daarmede, die gelijk is aan den hoek waar-
onder hij inviel. Zou het licht misschien denzelfden regel
volgen? Doch bijaldien licht warmte is, dan is 't niet stof-
felijk, even als de bal. IMeer overeenkomst lieel'ihet dan nog