Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 181 — ^
Om die gloeijing te doen ontstaan, steken wij gewoon-
lijk, gelijk men zegt, het brandbaar ligchaam aan, door er
iets anders, dat reeds brandt, digt bij te houden. Maar
in vele gevallen is dat niet eens noodig. Ten einde een'
zwavelstok te doen ontvlammen, hebben wij hem slechts
eene poos midden boven het glas eener brandende olielamp
of gasbek te houden, om al spoedig de zwavel te zren
smelten en ontbranden, en dat heeft zelfs plaats op een'
vrij aanmerkelijken afstand, zoodat er blijkbaar geen vonken
zijn overgegaan. Ja, in een' stroom van zeer warme lucht,
die uit sommige kagchels oprijst, kan men met het grootste
gemak een stukje zwam of een' droogen cigaar aansteken,
ofschoon men aan die lucht niets dat naar eene vlam ge-
lijkt bespeurt.
Als wij een paar ligchamen sterk tegen elkander wrijven,
ontstaat er warmte, en somtijds, als wij hard en snel genoeg
wrijven, vuur. Nemen wij daartoe een paar stukken witte
broodsuiker, en doen wij de proef in het donker, dan zul-
len wij weldra aan een blaauwwit schijnsel, hoe duister
het rondom ons ook zijn moge, de brokken melis kunnen
onderkennen.
Als iemand een' vuistslag op 't oog ontvangt, of als hij
maar eens niest, waardoor de gelaatsdeelen in de nabijheid
van het oog in plotselinge en elkander snel opvolgende
schokkingen geraken, verbeeldt hij zich niet zelden vonken
te zien.
Al het aangehaalde wijst ons op eene zeer naauwe ver-
wantschap, die er tusschen 't geen wij licht noemen en tus-
schen warmte bestaat. Ja, naauwkeurige onderzoekingen
van lateren tijd hebben het zelfs zeer waarschijnlijk gemaakt,
dat alle vaste ligchamen bij eene bepaalde temperatuur, om-
streeks 525°, gloeijend beginnen te lichten, en dat dit lich-
ten bij toenemende hitte ook op dergelijke wijze in sterkte
toeneemt, als de hoeveelheid warmte, die de gloeijende zell-
standigheid van zich doet afstralen, vermeerdert, 't Is dus,
op grond daarvan onder andere, zeer denkelijk, dat gloeijen
van warm zijn niet wezenlijk onderscheiden is; dal het niet
anders is dan eene warmte, zóó aanmerkelijk, dat het oog,
ingevolge van zijne bijzondere bewerktuiging, voor hare