Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
VIERDE AFDEELING.
I.
Liclit in 't algemeen.
Verbranding, gelijk is aangemerkt geworden, gaat gepaard
van lichtontwikkeling, 't zij dan dat wij eene vlam, of, als
de ligchamen verkoold zijn, een gloeijen ontwaren. Beiden
zijn echter niet zoo zeer onderscheiden als men, oppervlak-
kig de zaak beschouwende, wel meenen zou. Onder de
verkoling toch ontweken er lucht- of gassoorten, en deze
zijn het juist die bij de verbranding eene vlam vertoonen.
Zou het dus ook kunnen zijn, dat de menigvuldige deeltjes,
waaruit de brandende luchtsoort bestaat, aan 't gloeijen wa-
ren geraakt, en door hunne ongemeene fijnheid en over-
groot aantal het voorkomen verkregen van een enkel ge-
heel, van eene zoogenoemde vlam? Dat vermoeden wordt
zekerheid, als wij de vlam der brandbare luchten door ver-
koling van onderscheidene ligchamen, zie bl. 17G, verkre-
gen, met elkander vergelijken. Zij verspreidt des te hel-
derder wit licht, naar mate er eene grootere hoeveel-
heid vaste koolstofjes in vervat zijn, aan wier meerdere
gloeijing dit is toe te schrijven. Wij worden daarin nog
bevestigd, als wij op de omstandigheid letten, dat, naar
mate eene kaars of lamp meer walmt, de vlam zwakker
wordt. Vangen wij dien walm op, door er een schoteltje
bijv. in te houden, waartegen hij zich zal aanzetten, dan
overtuigen wij ons gemakkelijk, dat hij uit zulke koolstofjes
bestaat, die de vlam verlieten, alvorens zij gelegenheid had-
den om al gloeijende te verbranden, zoodat de oorzaak van
het gebrekkige licht in de onvolkomene verbranding blijkt
gelegen te zijn.