Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 172 —
Ijinding niel mogelijk is, zoodra ééne van de sloffen, uit
welke de verbinding moet gevormd worden, ontbreekt.
IX.
Verbranden en branden.
üebalve de gewone brandstoffen, te weten: bout, turf en
steenkolen , en de sloffen, welke ter verlichting dienen, zoo
als vet, olie, traan, zijn er vele andere, die verbranden
kunnen. Daartoe behooren het vleesch, bet vel, de horens
en hoeven van dieren; de wortels, takken, bladen, bloemen
en vruchten, met één woord, bijna alle deelen van de plan-
ten. Alle verteren bij de verbranding bijna geheel, en la-
ten slechts eene kleine hoeveelheid asch over. Het is toe-
reikend, ze op een goed brandend vuur te werpen, om te
zien hoe ze zwart worden, gloeijen, hoe er eene vlam uit
le voorschijn komt en ze langzamerhand wegbranden.
Verder behooren de metalen tot de stoffen die verbran-
den kunnen; hel meest bekend is dit van lood en zink.
Plaatst men zink in eene opene ijzeren pan, midden in een
kolenvuur, dan smelt ze eerst, zij begint le branden met
eene blaauwachtige vlam, en gaat daarbij over in eene wille
wollige stof, die voor een deel als een dikke damp oprijst
en zich verbreidt, voor het grooter deel op de oppervlakte
blijft liggen, en, na verwijdering, telkens van nieuws zich
daarop aanzet. Heeft men nu vooraf de hoeveelheid zink
gewogen, en doel men hetzelfde, zoowel met de hoe-
veelheid metaal, die overgebleven is, als met de wollige
slof, die men zoo volledig mogelijk verzameld heeft, dan
vindt men, dat deze te zamen meer wegen dan de ge-
bruikte zink: 1 pond zink geeft 1oneen zinkwol; er is
dus slof bijgekomen, en die kan niel anders dan aan de
lucht ontleend zijn. Lucht is inderdaad bij de verbran-
ding van zink even noodig als bij die van hout of kaarsvet.
Bedekt men de gesmolten zink met eene laag poeder van
houtskool, zoodat de lucht er niet bij kan komen, dan ver-
brandt ze niel. Tusschen beide gevallen beslaat alleen dit
verschil, dat bij hout zich 4oor de verbinding eene nieuwe
luchtsoort vormt, terwijl bij zink een nieuw vast lig-