Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 10!) —
rende het branden, van die lucht in de kagchel ingaat,
kunnen wij zien, als wij er de vlam eener kaars voor hou-
den-, duidelijk wordt dan die vlam naar hinnen gebla-
zen. Bij een vuur, dat in de open lucht of op eene haard-
plaat brandt, is geen rooster noodig, omdat de lucht daar
vati ter zijde kan toestrooinen. En even als toestroomen
van lucht naar het vuur voor de verbranding noodig is,
is 't ook een vereischte, dat de heete lucht boven het vuur
wegstroomen kan. Als wij bij eene kagchel, waar die lucht
door de pijp ontwijkt, de schuif of klep in de pijp toe-
draaijen, houdt de verbranding spoedig op, al kan van
onderen de buitenlucht gemakkelijk toevloeijen. Als wij
een' domper boven de vlam eener kaars houden, zien wij
dadelijk de kaars minder helder branden, en brengen wij
er hem zeer digt boven, dan dooven wij de kaars uit. Als
de gaatjes, die zich aan eene Argandsche lamp een weinig
beneden de jjit bevinden, verstopt zijn, brandt de lamp
zeer slecht; deze gaatjes namelijk dienen om lucht in de
lamp te laten instroomen, en ze in 't inwendige der vlam
te brengen; maar de lamp gaat ook uit, als men boven
op het lampglas, anders gezegd op het schoorsteentje, een
kussentje legt. Bij het tabakrooken, door middel van eene
pijp, leert ons de dagelijksche ondervinding mede, dat er
gedurige toevoer van lucht naar den brandenden tabak
zijn moet, en tevens gedurige afvoer van de lucht, die reeds
tot verbranding gediend heeft. In 't eerste wordt van zelf
voorzien, zoo maar het dopje, dat den pijpekop meestal
dekt, doorluchtig is; maar de afvoer der lucht moet door
den engen steel geschieden, die geen' genoegzaam vrijen
doortogt verleent, waardoor het noodzakelijk wordt, dat
men er de lucht door zuiging doorheen dringe, anders
gezegd, den rook van tijd tot tijd opzuige, wil men den
tabak brandende houden of de pijp niet laten uitgaan. De
pijpesteel is hier de schoorsteen, maar een zeer naauwe
schoorsteen, waardoor van zelve geene genoegzame trekking
plaats heeft. Een stroom van versche lucht langs de brand-
stof is dus een wezenlijk vereischte tot verbranden. Wij j
geven dit te kennen door te zeggen: een vuur, dat niet V
trekt, brandt niet. Het beletten van die doorstrooming, r