Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 1(}7 —
verandering, die hier plaats heeft, duurt telkens slechts
zóó lang, als de warmte aanwezig is; tegelijk met de oor-
zaak houdt ook de uitwerking op, en het ligchaam wordt
van nieuws wat het vroeger geweest is. Doch er zijn ook
uitwerkingen , die door de warmte worden voortgebragt, en
die tegelijk met haar niet ophouden; de warmte brengt
ook blijvende veranderingen in de ligchamen te weeg. Tot
die veranderingen behoort het verschijnsel, dat wij ver-
hrandcn noemen. Als wij hout of turf verbranden, houden
wij asch over, of als de verbranding niet volkomen is, blijven
er verkoolde stukken hout of half doorgebrande stukken
turf over. Wordt deze overgebleven stof koud, dan keert
ze niet weder tot den vorigen toestand van hout of turf
terug, er is geheel iets anders ontstaan, dan er te voren was.
Bij smelten, stollen of verdampen heefter aan hoeveelheid
geene vermindering plaats. Wanneer een pond ijs smelt,
verkrijgt men een pond water, en als dat weder bevriest,
ontstaat er op nieuws een pond ijs. Bij verbranding is de
hoeveelheid die overblijft, veel geringer dan die, welke
er in den beginne was; 10 pond hout laat slechts | pond
asch of minder achter. Wanneer eene kaars of olielamp
brandt, blijft er alleen een gedeelte van de pit over; het
kaarsvet of de olie verdwijnt geheel. Wij zeggen daarom:
het hout of de kaars verteert.
Om te weten wat verbranding eigenlijk is, moeten wij
de verschijnselen opmerken, die daarbij plaats hebben. Voor-
eerst is het bekend, dat er, om eene stof te doen verbran-
den, eene sterke verhitting van een deel der brandstof moet
voorafgaan. Wij noemen dat de brandstof aansteken. Eene
gloeijende turfkool of een paar stukken brandend hout,
dienen om het vuur aan te maken; een brandende zwa-
velstok of lucifer is het middel, waardoor de kaars of de
olie aan het branden gebragt wordt. Gedurende de ver-
branding zien wij de brandstof gloeijen en daaruit eene
vlam te voorschijn komen; uit de vlam stijgt dikwerf een
zwarte rook naar boven, waarvan een deel zich in den
schoorsteen als roet aanzet, een ander deel als rook boven
uit den schoorsteen gekomen, zich in de lucht verspreidt.
Wordt er geen nieuwe brandstof bijgedaan, dan houdt,