Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
~ 15!) -
Uil liel allijd in de luchl aanwezig zijn van onziglbaren
walerdamp kan men verklaren, hoe een ligchaam, dal stil
ligl, langzamerhand zwaarder kan worden-, eene eigenschap,
die voor verkoopers van sommige waren aanzienlijk voordeel
kan opleveren, terwijl zij daarentegen den kooper benadeelt,
daar deze dan voor een deel water koopt, in plaats van de
waar die hij verlangt. Het verdampen van water bij ver-
warming , geeft ook omgekeerd reden van het ligter worden
van alle ijle ligchamen, zoo als hout, linnen, poeijer, zand,
enz., als men ze warm maakt. Heeft men te voren reeds
door verwarming al 't water er uil gedreven, dan worden ze
bij eene volgende verwarming niet ligter-, maar lagen ze
lusschenbeide weder eene poos aan de luchl blootgesteld,
dan hebben ze van nieuws vochtdeelen uit de lucht opge-
nomen, ze zijn weêr zwaarder geworden, en kunnen dus
ook voor den tweeden keer door verwarming ligter worden.
Als waler door opzettelijke verwarming in damp overgaat,
hebben er onderscheiden omstandigheden plaats, die zich
anders niet voordoen, en die men 't best kan opmerken wan-
neer men water in een fleschje met een' wijden hals, of in
een zoogenaamd glazen kolfje, boven het vuur hangt. Men
ziet dan eerst eenige luchtbellen uit het waler te voorschijn
komen; dit houdt weldra op. Eenigen tijd later komen er
weder bellen te voorschijn, die in het water omhoog stijgen,
ditmaal dampbellen , maar die verdwijnen eer ze boven zijn
aangekomen, vermits zij in de hoogere voor alsnog niet ge-
noeg verwarmde walerlagen te veel afkoelen om als damp
te kunnen blijven beslaan. Deze bellen maken een eigen-
aardig geluid, dal men sissen noemt. Eindelijk ontslaan er
op den bodem van de kolf groote bellen die de oppervlakte
van 't water bereiken, en het geheel in eene sterk golvende
beweging brengen, dit is het koken van het water, ook
kennelijk aan het daarmede verbonden geluid, dat van het
vorige ligt le onderscheiden is, en razen genoemd wordt;
deze bellen zijn evenmin met lucht, maar geheel met damp
gevuld. De waterdamp, die bij koken gevormd wordt, zijn
wij gewoon stoom te noemen.
Hangt men in water, dat aan de kook gebragt wordt,
een' thermometer, dan ziel men dien gedurig rijzen; juist