Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— '157 —
zóóveel zwaarder als het gewigt van het verdwenen water
Ledraagt. Het is duidelijk, dat men aan zulk een onderzoek
de vrije lucht niet onderwerpen kan; men heeft daartoe een'
grooten glazen Lol genomen, dien naauvvkeurig gewogen, en
er eene kleine afgewogen hoeveelheid water ingebragt, den bol
daarop gesloten en zoo sterk verwarmd, totdat al het water
verdwenen was, en toen, den bol op nieuws wegende, inder-
daad bevonden, dat eraan gewigt niets verloren was gegaan.
Wij hebben dus hier de volkomen overtuiging, dat het wa-
ter niet is vernietigd, en tevens een nieuw bewijs, dat het
verkeerd is uit het voor ons onzigtbaar worden van een lig-
chaam te besluiten, dat het opgehouden heeft te bestaan.
In de opgegeven gevallen had er verdamping plaats, ten
gevolge van opzettelijke verwarming. Wij zien intusschen
ook water dikwijls in damp overgaan , zonder dat er op-
zettelijke verwarming plaats heeft. Zet men een vlak schaaltje
met wat water er op ergens neer, dan ziet men ook dat
water verminderen en eindelijk geheel verdwijnen, al wordt
het niet verwarmd. Wanneer nat linnen opgehangen wordt,
droogt het, dat is, het water dat er in is, gaat er uit en
verdwijnt. Ook hier heeft men dus verdamping of overgang
van water in den onzigtbaren toestand, zonder dat er even-
wel , zou men zeggen , warmte toe noodig is. Dit schijnt
intusschen maar zoo, want dat ook hierbij de warmte in
aanmerking komt, wordt blijkbaar, als wij letten op 'tgeen
er tevens bij plaats heeft. Als wij natte kleederen aan ons
ligchaam laten droogen, worden wij koud, er gaat dus warmte
uit ons ligchaam-, als wij nat linnen aanraken, voelen wij
dat het koud is-, het droogen daarvan geschiedt ook veel
spoediger in de warmte dan bij koude, veel spoediger in
den zomer dan in den winter. Omzwachtelen wij den bol
van een' thermometer met een dun lapje, maken wij dat
lapje nat, en wachten wij dan een poosje, zoo zien wij
den thermometer dalen, hij geeft dus warmte af, en hij
daalt des te sterker, naar mate het natie lapje spoediger
droog wordt; het blijkt derhalve, dat ook hier bij de ver-
damping warmte wordt gebruikt, of, met andere woorden,
dat verdamping koude te weeg brengt. Het is die koude,
welke men voelt, als men sterk bezweet is en uiïrust,