Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— '176 —
zich niet alleen op de vensters, maar ook op de buitenzijde
der muren van de huizen en op andere voorwerpen, om-
dat deze alle nu kouder zijn dan de lucht. Wanneer de
warme lucht door de huisdeur in de gangen doordringt,
zien wij ook daar de vloersteenen en muren nat worden-,
men noemt dit uitslaan , en meent, dal het vocht uit het
binnenste van den muur komt, maar die benaming is on-
juist; want de vochtigheid komt uil de lucht, waarin ze
als onzigtbare waterdamp aanwezig was, en er gebeurt
hier dus geheel iels anders dan daar, waar men hel woord
uitslaan ook, maar le regt, bezigt.
Om waler uil lucht te voorschijn le doen komen is hel
niet noodig, dat hel koude ligchaam, waarmeê de lucht in
aanraking komt, juist een vast ligchaam zij. Ook aanraking
met koude lucht brengt hetzelfde le weeg; boven hel fleschje
van onze eerste proef zien wij den onzigtbaren waterdamp
ziglbaar worden, zoodra hij het fleschje uitstroomt. Waarom?
Omdat hij dan met de koude buitenlucht in aanraking
komt. Als' wij lucht uitademen , komt er ook waterdamp
uil onzen mond; dit blijkt, als wij legen eene vensterruit
aanademen, die dan terstond beslaat; maar hel blijkt ook,
als wij vrij ademen, in den winter. De warme lucht, die
onzen mond uitkomt, vermengt zich met de koude buiten-
lucht, koelt daardoor af, en de onzigtbare damp dien zij
houdt, gaat daardoor in zigtbaren damp over; iets dat in de
warme kamer niet gebeurt. Is het zeer koud, dan zien wij
den adem ook wel dadelijk bevriezen en zich, niet ongelijk
aan sneeuw, aan baard, haar en kleederen aanzetten. Wij
komen later op deze vermenging van warme en koude lucht
terug, en zullen dan zien, welke groote verschijnselen
daarin hunne verklaring vinden.
Dat het water, dal in de lucht verdwenen is, inder-
daad aanwezig blijft, ofschoon wij het niet zien, heeft men
regtstreeks door proefneming bewezen met behulp van dal-
zelfde werktuig, dal ons reeds zekerheid heeft gegeven,
waar waarneming en redenering alleen enkel tot waarschijn-
lijkheid voerden, wij bedoelen de weegschaal. Als het waler,
dat verdampt is, in de lucht aanwezig is, dan moet die lucht
zwaarder geworden zijn, dan ze te voren was, en wel juist