Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 150 —
stoffen als vaste kennen, andere als vochten, is enkel een
gevolg daarvan, dat ze hij den warmtegraad, waarin wij
leven, dien toestand van vastheid of vloeibaarheid bezitten.
Verandert de ons omringende warmtegraad, dan houdt me-
nig ligchaam op, zich in dien toestand aan ons voor te doen,
en wij zien, bij groote vermindering van warmte, stoffen
vastworden, die wij vroeger nooit anders dan als vochten
gekend hebben. In zeer koude winters heeft men in ons
land ondervonden, dat, even als water vastwordt of be-
vriest, zoo ook inkt, bier, azijn, wijn, melk en olie be-
vriezen. Dit is bij ons eene zeldzaamheid; in de koude
noordelijke landen gebeurt het daarentegen bijna eiken
winter, en daar bevriezen zelfs nog sloffen, die hel hier
nimmer doen, zoo als bijv. kwikzilver.
Leefden wij daarentegen in eene warmer streek, dan zou-
den wij verschillende stoffen alleen als vochten kennen, die
wij gewoonlijk als vaste ligchamen zien. Hel is bekend,
dat bij een' heeten zomer boter smelt, zoo ook dat het
pik, waarmede de naden der schepen digtgemaakt worden,
er dan gesmolten uitloopt. Was hel dus altijd zoo hee'l, dan
zouden wij boter en pik enkel als vloeistoffen kennen. Zoo
komt in sommige warme landen water alleen als zoodanig
voor, en luidt het daar als eene groote merkwaardigheid ,
dat water ook vast kan worden.
Plaatst men een' thermometer in eene vaste zelfstandig-
heid, die men verwarmt, en neemt men zijn' stand waar,
dan merkt men op, dat elke stof tot een' bepaalden
warmtegraad verhit moet worden, eer ze begint te smelten.
Die warmtegraad heel het smeltpunt van die stof. Zoo is 0°
het smeltpunt van ijs; zoo heeft men gevonden, dal het
smeltpunt van boter is 30°, van vet 42°, van tin 230°, van
lood 334°, van koper nog hooger, weder hooger dat van
goud en zilver, terwijl ijzer van al de gewone metalen de
meeste hitte noodig heeft om le smelten. Merkwaardig is
het, dal sommige verbindingen van twee of meer metalen,
bijv. van tin en lood, reeds smelten bij een' lageren warmte-
graad dan die waarop zij elk op zich zelf vloeibaar worden.
Een alliage van 5 deelen tin en 1 deel lood smelt op 10!)°.
Men noemt dat smeltpunt ook vriespunt, omdat om-