Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— Uü —
Daarbij lieefl iniusschen gewoonbjk ook sterke verwarming
vooraf plaats, omdat ijzer en glas eerst door hitte week
moeten gemaakt worden , eer het mogelijk is ze door sme-
den of blazen eene willekeurige gedaante te geven.
De uilholing waarin gegoten zal worden, en waaraan
men alvorens de gedaante gegeven heeft, die men begeert
dat het gietsel zal aannemen, noemt men meer bepaald
den vorm. Het ligchaam waarin die uilholing gemaakt is,
dat spreekt wel van zelf, mag niet smeltbaar zijn op den
warmtegraad, waarbij de gesmolten specie er in gegoten
wordt. Bij de zeer moeijelijk smeltbare metalen kan men
dus lot vorm nimmer die metalen zelve gebruiken; men
bezigt dan vormen uit nog minder smeltbare ligchamen
vervaardigd, te weten uit zand en klei.
Terwijl het uitwendige der gestolde stof den vorm van
het vat aanneemt, gebeurt in het inwendige dikwerf iets
anders; daar ziet men somtijds ligchaampjes van eene be-
paalde gedaante ontstaan , die idoor hunne regelmatigheid
opmerkelijk zijn; het zijn de kristallen, waarvan wij reeds
vroeger gesproken hebben ; in dat geval heet het vastwor-
den of stollen kristalliseren. Om dit waar te nemen kan
men bijv. een potje met zwavel nemen; men moet dan die
zwavel op een vuur smelten, en zoo langzaam en rustig
mogelijk laten afkoelen; spoedig ziet men boven op de
gesmolten zwavel zich eene korst vormen; die korst steke
men na eene kleine wijl wachtens door, en giete de nog niet
gestolde zwavel, die er binnen in is, viit; dan vindt men
eene menigte langwerpige dunne zwavelnaaldjes in het in-
wendige, die alle eene regelmatige gedaante hebben.
Een ander voorbeeld van 't zelfde verschijnsel geven ons
de klontjes der kandijsuiker. Deze ontslaan van zelve, wan-
neer men een' pot met suikersiroop, op eigenaardige wijs
door eiwit geklaard, langzaam afkoelt. Om hun ontstaan
te bevorderen, spant men in den pot draden, aan welke
zij zich aanzetten en al grooter en grooter worden, terwijl
zij steeds dezelfde regelmatige gedaante verkrijgen.
Uit het gezegde omtrent smelten en stollen blijkt, dat
het vast of vloeibaar zijn geenszins iels bestendigs aan de
ligchamen is, zoo als bijv. het zwaarzijn. Dat wij sommige