Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
. )
ii-: >
■i)
M/
1/


— 144 —
nog schalen van réaumur en van Fahrenheit. Bij die van
RÉAUMUR is het nulpunt hetzelfde, maar in plaats van 100,
vindt men bij het kookpunt 80 staan •, deze graden zijn dus
grooter. Fahrenheit plaatst bij het punt van smeltende
sneeuw of ijs 32 en bij het kookpunt 212, zoodat 180 Fah-
renheitsche graden gelijk staan met 80 van réaumur, of met
100 van linnjEus, en bij gevolg het kleinst zijn. Bij op-
gaven van thermometerstanden mag men alzoo niet verzui-
men de schaal te noemen die men gebezigd heeft, bij ge-
breke waarvan men uit die opgaven niets bepaalds vermag
af te leiden en soms grovelijk zou kunnen mistasten; eene
koude onder 0^ van Fahrenheit bijv., is veel aanzienlijker
dan op de beide andere schalen. Daar echter de honderd-
deelige graden meer en meer algemeen in gebruik komen ,
zullen wij in 't vervolg stilzwijgend altijd die bedoelen, en
ze dan alleen uitdrukkelijk noemen als wij andere graden
meenen.
Zulk een thermometer geeft ons omtrent de warmte en
koude zigtbare aanwijzingen die overeenstemmen met die,
welke wij door het gevoel ontvangen. Plaatsen wij tegelijk
den thermometer en eene hand in eene kom met koud wa-
ter, en gieten we er langzaam heet water bij, dan voelen wij
het water al warmer %vorden, en zien tegelijk het kwik in
de buis van den thermometer meer en meer rijzen. Mengen
wij ijs onder warm water, dan wordt het voor ons gevoel
al kouder, en tegelijk zien wij het kwik in den thermometer
meer en meer dalen en dus inkrimpen. De thermometer kan
derhalve als plaatsvervanger voor ons gevoel dienen ; door
middel daarvan kunnen wij zien, wat wij anders door voelen
moeten te weten komen. Bovenal bewijst hij ons goede dien-
sten in vele gevallen, waarin ons gevoel ons verleiden zou
om onjuist te oordeelen over warmte en koude, of waar het
geheel en al te kort schiet. En dit komt dikwijls voor.
Wanneer bijv. 's winters in eene kamer gestookt wordt,
zal de een het in die kamer koud hebben, terwijl de an-
der, die uit de koude buitenlucht komt, het er warm, ja
zelfs te warm vinden zal. Wij herinneren ons hierbij de op
bl. 133 vermelde proef met het indompelen van den vinger
in koud, heet en laauw water. Van waar dat verschil? Om-