Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— '141 —
Bij vochten is de uitzetting door de warmte nog duide-
lijker dan Lij de vaste ligchamen. Als men in een fleschje
dat tot den rand der monding toe met water gevuld is,
eene dunne glazen Luis steekt, die van Loven hel fleschje
uitkomt, en vervolgens met een doorLoord kurkje het
fleschje derwijze sluit, dat het waler, 't welk nu 't ge-
heele fleschje en een gedeelte van de Luis vult, niet anders
dan door die Luis kan ontkomen, dan ziet men, wanneer
men het fleschje Lij het vuur Lrengt, of in een' Lak met
water plaatst, die op het vuur staat, het water in het
huisje rijzen. Hel neemt derhalve, terwijl het warm wordt,
meer ruimte in, dan vroeger. Laat men het weder koud
worden, zoo daalt het weer; het waler krimpt dus weêr
in , en men kan deze proef zoo dikwijls herhalen als men
verkiest. Verwarmt men het fleschje telkens evenveel, dan
zal men ook telkens evenveel rijzing zien; om hel fleschje
even sterk le verwarmen Lehoeft men het maar telkens in een
hakje met water te plaatsen, en dit door vuur zoo sterk le
verhitten, dat het water kookt. Doet men Lier, azijn,
olie, wijn of eenig ander vocht, in plaats van water, in het
fleschje, dan ziel men hetzelfde geLeuren als Lij water, waar-
bij men nog kan opmerken, dat Lij gelijke verwarming niet
evenveel uilzelling, en dus ook Lij gelijke afkoeling niet
evenveel inkrimping plaats heeft. Vult men een fleschje
met naauwen hals lol aan den rand, dan loopt het. Lij ver-
warming, over; bij olie zal men dan waarnemen, dat er
meer overloopt dan bij water; en zijn beiden weêr afgekoeld
en dus ingekrompen, dan zal de olie, die in het fleschje
gebleven is, lager staan dan hel water.
Nog veel grooter is de uilzetting, die lucht door verwar-
ming ondergaat. Neemt men eene blaas, half met lucht
gevuld en behoorlijk toegebonden, zoodat, als men op de
blaas drukt, er geen lucht ontwijkt, en hangt men die bo-
ven een kolenvuur, dan ziet men de blaas meer en meer
opzwellen; de binnenluchl neemt dus meer ruimte in dan
toen zij koud was. Neemt men het ledige fleschje, of juister
gezegd, het fleschje enkel gevuld met lucht, doet men er
dadelijk het doorboorde kurkje op, en steekt men daar dan
hel pijpje door heen, in welks ondereinde men vooraf een'