Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— '137 —
digen, om ze in den winter te dragen. Zij dienen eigenlijk
niet om te verwarmen, dat is, om warmte aan het ligchaam
te geven, zoo als wij gewoon zijn te zeggen, maar om te
beletten, dat onze eigene warmte naar buiten verloren
ga-, ook het beddegoed heeft hetzelfde doel. Bij de dieren
dienen daartoe haren en vederen, en wij vinden juist die
dieren, welke in de koude landen leven, daarmede het meest
voorzien; bekend is het, dat het langharige bont allemaal uit
huiden van dieren bestaal, die enkel in de poolstreken leven.
'l Mag op 'i eerste gezigt bevreemding wekken, dat de-
zellde stoffen evenzeer dienen om een schijnbaar tegenge-
steld doel te bereiken. Om namelijk te voorkomen, dat
stukken ijs spoedig smelten , wikkelt men ze in wollen lappen
en dekens. Wèl beschouwd, is dat echter juist een blijk,
dat die omhulsels geen warmte geven, maar als slechte
warmte-geleiders voor den doortogt der warmte een groot
beletsel opleveren; hier verhinderen zij dat de warmte van
buiten tot het koude ijs koiiit, gelijk zij omgekeerd bij onze
kleeding de warmte van ons ligchaam verhinderen, zich aan
de koudere omringende lucht mede te deelen.
Ten einde te beletten, dat pompen in den winter bevriezen,
omwikkelt men ze met stroo; het bevriezen is een gevolg van
het afkoelen , door afgeven van warmte aan de omringende
lucht; dit afgeven wordt door het dek van stroo belet. Het-
zelfde middel gebruikt men om fijne heesters in de buiten-
lucht te doen overwinteren. En zoo dient stroo ook om
het indringen van de buitenwarmte in ijskelders te voor-
komen.
De grond is mede een zeer slechte warmte-geleider. Wordt
het oppervlak door de zon verwarmd, dan deelt die de
warmte aan den ondergrond mede, maar dit geschiedt zeer
langzaam; wanneer de bovengrond in het voorjaar reeds
ontdooid is, treft men nog eenige dagen lang de vorst, op
minder dan een palm diepte, in den grond aan. Maar om-
gekeerd gaat ook de warmte, die op eene zekere diepte in
den grond is, weinig of niet door den bovengrond heen, naar
de lucht toe, zelfs wanneer het hard vriest. Wij drukken dit
gewoonlijk uit door te zeggen: de vorst dringt niet diep in
den grond; maar wij moesten eigenlijk zeggen: de warmle