Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— '134 —
zoo ver brengen, dat ze beginnen te branden. Eene wa-
genas, die niet behoorbjk gesmeerd is, wordt dikwijls beet
onder liet rijden; die as wrijft tegen de naaf waarin zij
ronddraait-, ook hier stijgt de hitte somtijds zoo hoog, dat de
as in brand raakt. Eene molenas, welke bij stormweêr in
den vang, die haar moest vasthouden, niet genoegzaam ge-
klemd blijft ronddraaijen, geraakt eindelijk door de sterke
wrijving in brand. Een mes of schaar, die men op een'
steen aanzet, wordt heet, terwijl de steen ook warm wordt;
daarom heeft de schaarslijper altijd een vat met koud water
boven den steen geplaatst, om hem gedurig af te koelen-,
ook de zeis, de spade, worden onder 't aanzetten warm. Een
vuurslag tegen den vuursteen gewreven, geeft zooveel hitte,
dat de ijzerdeeltjes, die van den vuurslag afvliegen, gloeijen.
Wij zien dus, dat laken, hout, steen, ijzer, door wrijving
warm worden. Bij lucifers is eene zeer geringe wrijving vol-
doende om ze te doen ontvlammen. Bij boren, draaijen en
vijlen, bij smeden en pletten heeft mede wrijving plaats, en
door die bewerkingen ondervinden wij dan ook dikwerf,
dat de ligchamen warm worden-, de smid weet het bij on-
dervinding, als hij een stuk koud metaal lang gehamerd
heeft-, de draaijer merkt het evenzeer aan het stalen ge-
reedschap, waarvan hij bij het draaijen gebruik maakt.
Eene andere manier van warmte voort te brengen is die,
welke wij verhrantling noemen. Om een vuur te doen
branden, beginnen wij met bij een' hoop koude turf eene
gloeijende kool of een' brandenden zwavelstok te leg-
gen; hier heeft dus mededeeling van warmte plaats; maar
dit is niet de voorname oorzaak van de warmte, welke de
brandstof later, onder het branden, afgeeft. De kool of
de zwavelstok alleen toch geeft maar weinig warmte; het
vuur dat er door ontstoken is, levert eene veel grooter
hoeveelheid, en zooveel te meer, naar mate er meer turf
verbrandt; er ontstaat dus hier ook warmte.
Somtijds is de enkele bijeenvoeging van twee ligchamen
een middel om ze warm te doen worden. Watei^gegoten op
gebranden kalk geeft veel hitte; wanneer men het in be-
hoorlijke hoeveelheid er bij doet, wordt het kokend heet,
en verdampt voor een deel.