Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— '132 —
gestookt, dan geeft diezelfde lucht ons een gevoel van
warmte. Wij zeggen daarom : de kagchel heeft warmte me-
degedeeld aan de lucht. Aan ons eigen ligchaam nemen wij
iels gelijksoortigs waar; wanneer ik een' cent op tafel hel)
liggen, en een' tweeden cent in de eene hand neem, dan voelt
die hand in den beginne koude; weldra houdt dat gevoel
op: raak ik hem eenige oogenblikken daarna met de andere
hand aan, en insgelijks den cent, die op de tafel is blijven
liggen, dan voel ik, dat de eerste warm geworden is, dat
hij nu warmer is dan de andere; ik begrijp dus, dat het
gevoel van koude daardoor ontslaat, dat mijne hand een
deel van hare warmte aan het vreemde ligchaam afgeeft.
Er is dus grond om over de warmte als over een iets te
spreken; en loch, wanneer wij vragen : hoe moeten wij ons
dat iets voorstellen? dan kunnen wij die vraag niet beant-
woorden; de warmte heeft niet de eigenschappen van een
ligchaam. Wij kunnen ze niet in eene bepaalde ruimte in-
sluiten , zoo als waler en lucht; het is bekend, dat warmte
overal door heen dringt, door ijzer, door steen, door glas,
door den grond. Warmte neemt ook geen ruimte zóó in,
dat er zich niet tegelijk iels anders in zou kunnen be-
vinden. In tegendeel, nooit gevoelen wij ergens de aanwe-
zigheid van warmte, of er is in diezelfde ruimte een lig-
chaam, waar dat gevoel van uitgaat. Wij kennen de warmte
niet als op zich zelve staande. Eindelijk, warmte heeft
geen gewigt, gelijk wegingen kunnen bevestigen. Wanneer
men een koud ligchaam weegt, het warm maakt, en dan
weder weegt, zoo moet het, indien warmte gewigt heeft,
bij de tweede weging zwaarder zijn geworden. Dit is intus-
schen het geval niet; in tegendeel vindt men dikwerf, dat het
warme ligchaam minder weegt dan toen het koud was. Een
stuk steen, linnen of katoen, papier — worden, verwarmd,
ligter bevonden dan koud; een stuk ijzer of ander metaal zal,
warm gemaakt, nagenoeg even zwaar zijn, maar althans niet
zwaarder; later zullen wij zien, dat de warmte de onmid-
dellijke oorzaak van die gewiglsverandering in 'l geheel niet
is. Wat de warmte eigenlijk is, kunnen ons geen dade-
lijke proefnemingen leeren; door het gebruik onzer zintuigen
nemen wij alleen de eigenschappen der ligchamen waar en