Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
- 131 ~
wording bedoeleiij uitdrukkelijk van een gevoel {>an warmte
spreken. Maar is de gewone spreekmanier voor 't overige
juist? Is er wezenlijk een iets, eene stof, die door de zon,
door het vuur, aan ons wordt medegedeeld? Zien kunnen
wij ze niet, maar ook de lucht om ons heen zien wij niet;
dit bewijst dus niets. Omgekeerd, wij kunnen eene gewaar-
wording hebben zonder dat die door de mededeeling van
een eigen iets wordt voortgebragt. Wij hooren geluid, en
geluid is toch geen stof op zich zelve. Om te beslissen
moeten wij de verschijnselen nagaan, die aanleiding gege-
ven hebben om zoo over warmte te spreken als wij da-
gelijks doen.
Wanneer ik aan een' ander' wat van het mijne geef, dan
lioud ik minder over dan ik te voren had, en de ander
heeft nu meer dan hij had. Dit is hetgeen wij mededeelen
noemen-, en dit schijnt bij warmte het geval te zijn. Als
ik een' cent zoo lang bij het vuur houd, totdat hij heet
geworden is, hem vervolgens tusschen twee andere centen in-
leg , die niet bij het vuur gelegen hebben, zoo zal ik, als
ik ze alle drie na eenige oogenblikken wachtens betast,
bespeuren, dat de heete cent niet meer heet, maar alleen
warm is, en dat ik hem zonder gevaar kan aanraken-, maar
tegelijk voel ik, dat de twee andere centen, die koud waren,
nu ook warm geworden zijn. Deze waarneming doet ons
zeggen: de heete cent heeft van zijne hitte aan de beide
andere medegedeeld.
Als ik een' pook eenige oogenblikken in een' ketel met ko-
kend water leg, zoodat het eene eind er uitsteekt, en hem
er vervolgens uitneem, dan is het ingedompelde eind zoo
heet, dat ik het niet met de hand kan aanraken, het an-
der eind niet; maar na längeren tijd wwdt ook het ander
eind, ofschoon het niet met het kokend water in aanra-
king geweest is, warm, het heete daarentegen minder heet,
daarna alleen warm, eindelijk is de pook geheel afgekoeld,
d. i. waar wij hem ook aanraken, geeft hij ons nergens meer
het gevoel van wax'mte; ook hier had het eene eind aan
het ander schijnbaar iets medegedeeld. Wanneer in eene
koude kamer, dat is, in eene kamer waarin de kicht ons >
liet gevoel van koude geeft, de kagchel eenigen tijd wordt
9*