Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 123 —
Fig. 39.
wigt te maken met de zwaarte der dampkringslucht, die der-
halve uit dien hoofde niet juist gemeten zou kunnen worden.
Behalve hak-harometers heeft men ook nog he vel-baro-
meters, waarvan Fig. 31) eene afbeelding geeft. Zij
bestaan uit een' hevel A DG met ongelijke armen.
De langere arm A D moet voor 't minst 80 duim
lengte hebben en bij A gesloten zijn. De kortere
D G is gewoonlijk wijd uitgeblazen-, deze is alleen
schijnbaar gesloten, want hij heeft bij F eene kleine
opening, die vrijelijk lucht, maar niet gemakkelijk
k^vik doorlaat. De hevel is voorts op eene ver-
deelde plank bevestigd, en wederom zoo met zui-
ver kwik gevuld, dat er bij AB een luchtledig be-
slaat. Zoo veel als nu het kwik in den längeren arm hooger
staat dan in den korteren, zoo lang is de kolom, die evenwigt
maakt met de drukking der dampkringslucht, dat is dus in
de figuur de kolom BG, welke men derhalve heeft te meten.
Uit zulke waarnemingen, aan het strand der zee of op
gelijke laagte gedaan, blijkt, dat gemiddeld eene kwikhoogte
van 7G duim noodig en voldoende is om gezegde drukking
te evenaren. Hieruit kan men ligtelijk berekenen, wat de
juiste hoogte der watepkolom zou moeten bedragen, om
hetzelfde te doen, met andere woorden, te welker hoogte
men water met eene zuigpomp kan opvoeren. Men heelt
daartoe 76 duim maar 13.59 malen te nemen, 't geen 10 el
geeft en bijna 33 duim. Op iederen vierkanten duim o]i-
pervlakte drukt bij gevolg de dampkring als met een gewigt
van éene regtstandige zuil water, die 1033 duim hoog is,
of met een gewigt van 1033 cub. duimen waler, dat is van
1033 wigtjes of 1 pond en 33 wigtjes.
Er is hier van waarnemingen aan het strand der zee ge-
sproken. Wij weten toch, dat op eene eenigzins aanmer-
kelijke verhevenheid boven den waterspiegel der zee de
dampkring minder drukt, en de ervaring bevestigt zulks
nader, want de stand des barometers daalt, naar mate wij
ons daarmede hooger begeven, waardoor wij in den baro-
meter tevens een middel ontdekken, om ons te vergewissen
hoe hoog eenig punt, waar wij ons mogten bevinden, boven
den waterspiegel der zee gelegen is. Ware de lucht overal