Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— —
voor zoover dit hooger staat dan het water in het fleschje.
Men kan het verschijnsel nog eens of meermalen te voor-
schijn roepen, door op nieuws te blazen.
Indien men binnen het bierglas, Fig. 28, lucht had, die
ijler ware dan de vrije dampkringslucht, zoo vermoeden wij
nu reeds, dat zij minder spanning hebben, en dat ten gevolge
daarvan het water in 't glas iets rijzen zou. Maar juist dat
rijzen zou de ruimte binnen het glas beperken, en alzoo
de lucht weèr minder ijl maken. Een bierglas is daarom
tot zulk een onderzoek niet zeer gescViikt, en wij kiezen
te dien einde liever eene doorschijnende flesch met een groot
ligchaam en eene naauwe opening, bijv. een hoog apothe-
kersfleschje (Fig. 30). Het is klaar, dat op een aanzienlijke
Fig. 30. hoogte van den beganen grond, waar wij zoo-
veel minder dampkringslucht boven ons heb-
ben , deze ook met een minder gewigt op die
luchtlagen, waarin wij dan verkeeren, drukt,
dan of wij ons bijv. gelijk met het oppervlak
H der zee bevinden. Op aanzienlijke hoogten
— moet derhalve de lucht ijler zijn. Begeven
wij ons nu met ons apothekersfleschje en met een' bak
met water op een' hoogen toren, keeren wij daarop het
fleschje om en brengen het regtstandig en langzaam met
den mond in 't water, zoodat, als die mond maar even
in aanraking is met de oppervlakte van het water, de
geheele flesch gevuld is met lucht van dezelfde digtheid
als die ons op dat oogenblik omgeeft. Wij kunnen ver-
volgens de flesch, altijd in denzelfden stand gehouden,
naar believen in het water indompelen, en moeten haar
nu met bak en al beneden brengen. Omlaag gekomen,
waar de lucht niet zoo ijl is als boven op den toren, zul-
len wij dan kunnen waarnemen, dat, zoo wij de flesch
wederom voorzigtig ligten, daarbij zorg dragende, dat de
daarbinnen beslotene lucht niet in gemeenschap komt met
de buitenlucht, op het oogenblik,dat de rand van den hals
alleen nog maar in aanraking is met de oppervlakte des
waters, er een weinigje water in dien hals geheven blijft,
waaruit wij dus zien dat lucht, die minder digt is dan de
ons omgevende dampkringslucht, ook een' minderen druk