Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— 104 —
en liet vocht blijft niet in dien oneffen' stand-, er komt be-
weging, die voortduurt totdat de drukkingen overal even
groot zijn geworden.
Hiermede staat een ander verschijnsel in verband. Als
twee vaten (Fig. 24) met elkander gemeenschap hebben
Fig. 24. door middel van een kanaal C D, en wij
gieten water in een van beiden, dan loopt
dat door het kanaal voor een deel in het
ander vat door, en beiden vullen zich zoo
ver, dat het water in de twee juist even
hoog staat. Zijn A a en Bb de beide
wateroppervlakten, dan ziet men, dat zij volkomen met
elkander overeenstemmen, dat zij te zamen tot een plat
vlak behooren. Dit heeft plaats, welke ook de gedaante
of wijdte van de vaten mogen zijn, ook bijv. in de beide
armen van eene omgebogen Luis, hoe ook hier of daar
vernaauwd of verbreed (Fig. 25) A a en B b liggen in één
Fig. 25.
waterpas vlak. Overal waar vocht, dat
zich in twee gedeelten van een' toestel
bevindt, onderlinge gemeenschap heeft,
zien wij hetzelfde. In eene kan met eene
tuit rijst het vocht in de tuit even hoog
als in de kan ; zal dus een kan vol ge-
schonken kunnen worden, zonder dat er uit de tuit gestort
wordt, dan moet deze even hoog reiken als het vocht in
de kan zelve komen kan. Dit wordt dan ook altijd in acht
genomen bij ketels, koffijkannen, trekpotten, gieters, enz.
In een' put, die met eene rivier gemeenschap heeft, staat
het water even hoog als in de rivier zelve; vandaar het
rijzen en dalen van het water in den put, als de rivierstand
verandert. In welputten rijst het water even hoog als in
den omliggenden grond; droogt deze door de warmte uit,
dan daalt ook het water in den put, daar het dan in den
grond lager staat.
Zijn de beide onderling in verband staande ruimten met
verschillende vochten gevuld, gieten wij bijv. in het eene
been A van een' hevel (Fig. 26) water, in het ander B
olie, dan zien wij, dat de twee vochten niet even hoog
gaan slaan , maar de olie hooger. De reden hiervan blijkt.