Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— i03 —
kanten lieen ten opzigte van liet oppervlak C1) even-
eens geplaatst is. Nemen wij een stuk papier MN, welks
kant MO zuiver regt is afgesneden, en vouwen wij dat
derwijze toe, dat PO juist langs PM komt te liggen,
dan zal de vouw PQ met den kant PM, even als met
PO, een' hoek maken, dien men een' regieii hoek noemt.
Vervaardigt men vervolgens een plankje, welks kanten
TS en TU juist met de rigting der lijnen PM en P Q
van het papier overeenkomen, een plankje, 't welk dan,
gelijk men zegt, zuiver haaks is, zoo zal men zien, dat, als
de kant T U langs de loodlijn E A gehouden wordt, en
het hoekpunt T in E gebragt wordt, de onderkant TS
juist op het oppervlak van 't water past, en dat dit altijd
plaats heeft, ook als men het plankje om de lijn AE laat
ronddraaijen, mits maar altijd de kant T U juist tegen die
lijn E A aan blijve liggen. Het oppervlak van stilstaand
water noetnen wij een waterpas-\\?i\j en wij drukken de ge-
vonden eigenschap uit door te zeggen: het waterpas-vlak
maakt regte hoeken met eene vrij hangende loodlijn.
Van deze eigenschap wordt veelvuldig gebruik gemaakt
bij het timmeren en metselen, en men bedient zich daarbij
van een' toestel, die liet timmermans-waterpas heet-, hij
bestaat uit een plank, die een' zuiver regten scherpen
onderkant A B (Fig. 23) heeft-, regthoekig op dien onder-
kant is een groef CD gemaakt, en aan
een' spijker boven in de groef hangt
E een loodlijn. Plaatst men nu den
toestel zoo, dat de loodlijn juist midden
in de groef en zooveel mogelijk vrij
hangt, dan is men zeker, dat de onder-
kant A B regthoekig op de rigting der loodlijn is geplaatst,
en dus waterpas ligt.
Even als de rigting, waarin een loodlijn hangt, een ge-
volg is van het zwaar zijn van het ligchaam, dat aan het
koord is verbonden, is het waterpas staan van een vocht
een gevolg van het zwaar zijn van het vocht. Is het water
niet waterpas, staat een gedeelte daarvan hooger dan een
ander, dan oefent dat gedeelte door zijn gewigt eene druk-
king uil, die elders niet beslaat-, er is dus geen evenwigt,
Fig. 23.