Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Serie: Werken der Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, 3: 1
Auteur: Wenckebach, Willem; Matthes, C.J.
Uitgave: Leiden: D. Du Mortier & zoon, 1851
[S.l.]: C.A. Spin & zoon
Maatschappij tot Nut van 't Algemeen
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 670 A 9
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203451
Onderwerp: Natuurkunde: natuurkunde: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis der natuur: schoolboek
Vorige scan Volgende scanScanned page
— os —
uitdrukt, uit liet gewiglsverlies van in water ondergedom-
pelde ligcliamen wordt liet duidelijk, waarom een in 't
water liggend menscli gemakkelijk kan boven geliouden
worden, zelfs door een jongen of door een* hond. Een
mensch weegt bijkans evenveel als 't water dat hij ver-
plaatst, slechts eenige ponden meer. Om een' mensch, die
in 't water ligt, op te houden, heeft men dus maar eenige
ponden last te dragen.
Is het gewigtsverlies gelijk aan het gewigt van het ver-
plaatste water, dan is het even groot voor alle ligchamen,
die evenveel water verplaatsen-, dus voor alle ligchamen
die even groot zijn. Dit blijkt ook, wanneer wij voorden
steen een ander ligchaam nemen, dat juist even groot is,
maar uit eene zwaarder stof bestaat, bijv. een^stuk ijzer.
Een stuk ijzer van gelijke grootte als de bedoelde steen,
weegt, op de gewone manier gewogen, omstreeks G.24 pond.
Wegen wij het, terwijl het onder aan de schaal en in wa-
ter hangt, dan vinden wij het gewigt 5.44 pond, of we-
derom juist 8 oneen minder.
Wegen wij denzelfden steen, terwijl hij niet in water,
maar in een ander vocht, bijv. in olie, hangt, dan moet
hij daarin geen 8 oneen verliezen, maar juist zooveel als
800 cub, duim olie wegen. Ook dit wordt door de proef
bevestigd. Nemen wij gewone lampolie, waarvan 1 cub.
palm 9.2 oneen weegt, zoodat dus 800 cub. duimen
ïS ^ — oneen wegen, dan vinden wij, dat de
steen, als hij daarin hangt, ook juist 730 wigtjes ligter is,
dan wanneer hij in de lucht gewogen wordt.
Daar onze voorstelling derhalve waar blijkt te zijn, kun-
nen wij er van uitgaan, om te onderzoeken, wat er met
een ligchaam, dat in een vocht gedompeld wordt, gebeuren
moet, zoodra wij het loslaten, en maar zorgen er niet
tegen te stooten. Het is dan, alsof er twee krachten op
werkten, zijn eigen zwaarte en eene drukking, gelijk aan
't gewigt van 't verplaatste vocht-, de eerste kracht trekt
naar beneden, de laatste duwt naar boven. Is nu de eerste
dier krachtea de grootste, dan moet het aan deze gehoor-
zamen , en dus naar beneden gaan is de laatste de grootste,
dan moet het naar boven gaan; zijn beiden juist even groot,